Video overzicht

Nicola Porpora
Carlo il Calvo

  • Armonia Atenea o.l.v. George Petrou

MAN ZONDER LAND

Eenzaamheid in het oog van de strijd: Nicola Porpora en Carlo il Calvo

“Waar Porpora is, is misfortuin”

– Pietro Metastasio

“De laatste tak waaraan hij zich nog vastklampen kon.” Met die sneer naar de nieuwste protégée van Nicola Porpora gaf Johann Adolph Hasse zijn voormalige leermeester een veeg uit de pan toen ze elkaar jaren na de start van hun vete weer tegen het lijf liepen. Het zou niet de eerste, noch de laatste verhitte strijd tussen concullega’s zijn waarin Porpora verwikkeld raakte. Kan het toeval heten dat een historische broedertwist het uitgangspunt werd van een van zijn vocale spektakelstukken?

Furie versus inspiratie

Van Napolitanen wordt wel eens beweerd dat ze het hart op de tong dragen. Dat is wel het minste wat kan worden gezegd van Nicola Porpora (1686-1768), wiens levensverhaal doorspekt is met artistieke en persoonlijke geschillen die steevast publiek werden uitgevochten. Met Händel, bijvoorbeeld, wiens Londense operagezelschap Porpora de loef trachtte af te steken met een rivaliserende compagnie. Arianna in Naxo (1733), de eerste productie die Porpora’s ‘Opera of the Nobility’ presenteerde, werd een van zijn grootste successen. Maar Händel van de troon stoten lukte niet en drie jaar later moest hij met de staart tussen de benen terugkeren naar zijn vorige positie: die van ‘maestro del pio Ospedale degli Incurabili’ in Venetië. Het was in de lagunestad dat, enkele jaren eerder, zijn levenslange rivaliteit met Hasse wortel had geschoten, nadat die een internationale aanstelling voor de neus van Porpora had weten weg te kapen en daarna ook nog grote sier kwam maken op de Venetiaanse bühne. De gemoederen waren beginnen te verhitten in 1730, kort na het overlijden van Leonardo Vinci: een voormalige studiegenoot met wie Porpora eveneens in de clinch lag. De ene nemesis verdwijnt, een nieuwe verschijnt: was furie Porpora’s zaaibed van inspiratie?

De volgende bladzijden uit zijn biografie lijken die indruk te bevestigen. Want in 1733 ontvlamde een conflict met Pietro Metastasio – alweer een ex-leerling – naar aanleiding van het zogenaamde palchetti-incident* waarbij de heren zich aan tegenovergestelde zijden van een gerechtelijk dispuut bevon-den. “Ik smeek je: probeer zo weinig mogelijk met hem te maken te hebben”, aldus Metastasio in een brief. “Het is nogal wat dat een hele stad moet lijden onder de grillen van één individu.”

In hoeverre het beeld van Porpora als twistzieke brulboei overeenstemt met de werkelijkheid, is nog maar de vraag. Want net als heldhaftige verhalen zijn sappige schandalen een vast ingrediënt van de receptiegeschiedenis waarin de herinnering aan mythische meesters rijpt. Gelukkig boeit Porpora’s muziek ook zonder roddels en sensatie, getuige de remonte waaraan zijn opera-oeuvre recent is begonnen. Dat komt alvast ten dele op het conto van een nieuwe generatie contratenoren, die dit illustere castrato-repertoire opnieuw laten ademen met brio, brein en branie.

* Ten gevolge van een aanhoudende twist tussen de ambassadeurs van Frankrijk en Oostenrijk omtrent het gebruik van de loges (‘palchetti’) in het Teatro delle Dame, gingen de theaters in Rome in de lente van 1732 op pauselijk bevel op slot. De première van Issipile, een opera op muziek van Porpora en een libretto van Metastasio, werd dan ook geannuleerd. De componist en een deel van de cast spanden daarop een rechtszaak aan tegen de theaterimpresario. Metastasio probeerde het bankroet van die laatste te voorkomen en schaarde zich aan zijn kant.

Zangersopera

De stem was Porpora’s instrument. Het is dan ook vocale muziek die zijn oeuvre domineert, vaak op het lijf geschreven van de zangers met wie hij nauw samenwerkte. Als een van de meest vooraanstaande zangpedagogen van zijn tijd was Porpora gespecialiseerd in lyrische en ongelooflijk virtuoze muziek voor de bühne: opera als een glitterjurk. Maar een niemendalletje is het nooit: deze muziek behoort tot het meest sensationele dat ooit voor de menselijke stem is geschreven, op het onbereikbare af. Porpora’s gouden formule: een aaneenschakeling van dramatische recitatieven en applausaria’s, waarin genereuze melodische lijnen en een filigraanwerk aan versierselen elkaar in evenwicht houden. Kenmerkend zijn de ‘unendliche Melodien”, die de zangers enkel met een perfecte adembeheersing kunnen realiseren. Menig zulke melodie bevolkt de da capo-aria’s, die zich dankzij de herhaling van de openingspassage makkelijk in het oor nestelen. Die onmiddellijke herkenning compenseert dan weer het ietwat bevreemdende effect van de geëxalteerde zangstijl met zijn Farinelli-eske vibrato’s: een maniëristisch stijlidioom dat ons, 21ste-eeuwers, vooral mondjesmaat smaakt. Een bulldozer is Porpora echter niet: er is ook plaats voor ontroering en verstilling wanneer het narratief daar om vraagt of het schakelen tussen emotionele registers de expressieve vaardigheden van de uitvoerders in de verf helpt te zetten.

Van Porporino tot Lottario

Carlo il Calvo, dat in de lente van 1738 zijn première beleefde in het Teatro delle Dame, stamt uit de hoogtijdagen van Porpora’s carrière als operacomponist en zangerscoach. Diverse van zijn leerlingen stonden dan ook model voor de vocale partijen. Mannelijke leerlingen, welteverstaan: een pauselijk edict verbood vrouwen om in Rome op de planken te staan. Opvallend onder de premièrecast: Antonio Uberti, een van Porpora’s favoriete pupillen, die later onder de artiestennaam ‘Porporino’ furore zou maken aan het hof van Frederik de Grote in Berlijn. Deze ontstaanscontext helpt te begrijpen waarom Porpora koos voor een verhaal dat focust op mannelijke personages: de erven van Karel de Grote die elkaar de macht over Europa betwisten. Het libretto, van de hand van de schrijvende abt Francesco Silvani (Innocenza giustificata**, 1699), neemt een historisch gegeven als uitgangspunt, om daarna het pad van de fantasie te kiezen. Protagonisten zijn, naast Carlo il Calvo (Karel de Kale), zijn halfbroer Lottario (Lotharius) en diens zoon Adalgiso; Carlo’s moeder Giuditta (Judith) en haar dochters Eduige en Gildippe – die laatste voorbestemd tot een huwelijk met Adalgiso; hertog Berardo (Bernhard van Septimanië), leider van Judiths factie aan het hof; en Asprando, ridder en bondgenoot van Lottario. Het drama ontvouwt zich in drie akten, met als setting het Europa van de vroege middeleeuwen. Titelpersonage Carlo is de kleinzoon van Carlo Magno (Karel de Grote), wiens uitgestrekte rijk werd geërfd door zijn vader Lodovico il Pio (Lodewijk de Vrome). Wanneer die hem een stuk van de erflanden wil schenken, zoals hij eerder al deed met de kinderen uit zijn eerste huwelijk, is Carlo niet langer ‘il Calvo’ – de jongen zonder land – maar wordt hij heerser van West-Francië. De herverdeling van de erflanden weegt echter negatief op het conto van zijn halfbroers. Hier schakelt het libretto van historie naar storytelling, want in Silvani’s libretto beslist Lottario zijn stiefbroer te kidnappen om hem de erfenis te ontnemen. Wanneer moeder Giuditta dit verneemt, voert wanhoop haar tot op het randje van de waanzin. Ook Lottario, verblind door een leugenachtige raadgever, glijdt af naar een staat van psychose. De held die deze gordiaanse knoop moet ontwarren heet Adalgiso: hij weet de tiran een halt toe te roepen en verovert zo de hand van zijn geliefde, Gildippe. Met zijn libretto weet Silvani een interessante oefening tot een goed einde te brengen. Want vanuit een historische premisse ontvouwt hij een spannend avontuur rond een heldhaftige figuur (Adalgiso) en een slachtoffer waarmee makkelijk te sympathiseren valt (Carlo). Tegelijk appelleert hij aan de empathie van de toehoorder door hun lotgevallen te linken aan een erfeniskwestie: een universeel thema dat voor vele toehoorders uit het leven gegrepen was (en nog steeds is). Vanuit het micro-verhaal krijgt de grote geschiedenis bovendien een rake kant-tekening: in haar morele failliet is de keizerlijke familie geen haar beter dan welke andere ook. De schaal waarop ze haar vetes uitvecht, doet zelfs bedenken dat waar conflicten generatie na generatie groeien, de validiteit van leiderschap ter discussie kan worden gesteld. Terwijl Silvani’s libretto, geschreven aan de vooravond van Spaanse Successieoorlog, in een politieke context kan worden geduid, toont Porpora zich vooral geïnteresseerd in de dramatische mogelijkheden. Dat blijkt alvast uit het gedicht dat het libretto voorafgaat en het publiek een rollercoaster aan emoties belooft: afgrijzen om het lot van een onschuldig kind, haat voor een doortrapte verrader en opluchting om het happy end.

**

Deze tekst werd meermaals getoonzet, onder meer door Alessandro Scarlatti (Carlo rè d’Alemagna). Georg Friedrich Händel schreef aria’s en Georg Philipp Telemann recitatieven voor een herwerkte versie van Fortunato Chelleri’s Judith, Gemahlin Käyser Ludewigs des Frommen, oder, Die siegende Unschuld, dat gebaseerd is op een Duitstalige versie van Silvani’s libretto.

Portrettengalerij

Het aanwakkeren van die emoties komt geheel voor rekening van het compacte groepje protagonisten. En hoewel hun psychologische profiel enigszins beperkt is, zorgt het combo Silvani/Porpora er toch voor dat diverse persoonlijkheidsaspecten aan bod komen. Dat is zeker zo in het geval van Giuditta. Want terwijl Adalgiso en Berardo (keizerlijke bondgenoten) en Lottario en Asprando (verraders) duidelijk aan de zijde van Goed en Kwaad gepositioneerd worden, is zij een personage met verschillende gezichten: een liefhebbende moeder gedreven tot wanhoop, maar ook een drama queen die haar zielenroerselen lijkt te moeten vocaliseren om ze uit te drijven, en een material girl die altijd één oog op haar zoons erfenis gericht houdt. Ook haar dochters ontsnappen haar luimen niet: Eduige dwingt ze in de armen van haar raadgever (minnaar?), Gildippe geeft ze geen enkele zeggenschap over haar eigen geluk. Ook de kleine Carlo is een interessante figuur: als titelpersonage waart zijn gedaante door elke scène, maar in de partituur krijgt hij slechts enkele maten toegewezen. Carlo is dan ook vooral de stille doeloorzaak van dit familiedrama, dat – met de vaststelling dat zelfs bloedverwantschap geen garantie is voor loyaliteit en edelmoedigheid – een ongemakkelijke waarheid thematiseert.

Diepliggende dramaturgie

Porpora hanteert voor de bijna dertig aria’s het monothematische Napolitaanse model, dat niet zozeer mikt op contrastwer-king maar op de variatie van één enkele idee. Dat wordt ingebed in een refreinelement dat het begin, einde en midden van elke aria markeert. De A- en B-secties in het hart van de aria zijn ongelijk qua gewicht maar tappen muzikaal uit hetzelfde vaatje. Ook de melodieën zijn op Napolitaanse leest geschoeid: met hun tonaliteitsbevestigende karakter en op drieklanken gebaseerde verloop liggen ze goed in het gehoor, terwijl ze de solist toelaten uit te pakken met indrukwekkende capriolen of stomende tirades in ‘stile concitato’***. Doorgaans worden de strijkers ingezet om de gezongen melodieën te verdubbelen en zijn het de blazers die voor kleur en woordschildering zorgen. Het loont dus de moeite alert te zijn bij hun tussenkomsten, want vaak benadrukken zij essentiële aspecten van het plot of onthullen ze de symboliek die in de aria verborgen zit. Het haakje waarmee de aria’s in het muziekdrama verankerd zitten, varieert: soms verhalen ze de gebeurtenissen die het scenario naar een volgende plotwending drijven, dan weer zijn ze allegorisch of introspectief. De manier waarop Porpora deze types verdeelt over de personages geeft blijk van zijn muziekdramaturgische inzicht. Zo krijgt Giuditta uitsluitend actiearia’s. Daarmee schildert Porpora haar als een dame die handelt, wispelturig is, zich snel tot een reactie laat verleiden en niet nadenkt over de gevolgen van haar daden. Adalgiso die, net als Giuditta, diverse bravoure-aria’s voor de kiezen krijgt, wisselt actie af met allegorie en reflectie. Zijn partij is, meer nog dan de andere, gelardeerd met trillers en andere versieringen die zijn onrust, angst en onzekerheid weerspiegelen. Ornamentiek is maar een van de special effects waarmee Porpora beelden uit de tekst verklankt. Zo klimt de melodie bij een verwijzing naar de poolster naar het hoogste register, krijgt de vlucht van de duif geen baslijn mee, schippert de muziek tussen mineur en majeur om Asprando te outen als verrader, keert de harmonie terug naar de grondtoon als een schip de haven bereikt, en wordt de grote liefdesaria van Adalgiso en Gildippe gezongen zonder inleidend ritornello: het klinkende equivalent van twee geliefden die staan te trappelen van ongeduld om hun gevoelens voor elkaar te onthullen. 

***

Een opgewonden zangstijl, vaak met stotterend, hikkend, ademloos of stokkend effect.

In de orkestbak

De instrumentale bezetting kan tot op zekere hoogte als thematisch-symbolisch worden geduid. Want met twist en strijd op het narratieve voorplan ligt de keuze voor instrumenten met militaire connotaties, in casu trompetten en hoorns, voor de hand. Hobo en fagot sluiten zich bij de strijkersgroep aan om de nobele afkomst van de hoofdpersonages en het feestelijke karakter van bepaalde scènes te onderstrepen. In de stormaria’s (akte 1 en 2) geven de blazers de kracht van de onbeheersbare natuurelementen weer, maar ook de emotionele onrust van de personages. De Sinfonia, die opent met een eclatante fanfare en een echospel tussen trompetten en hoorns, is een heerlijke streep barok die nu eens doet denken aan de Watermusic van Händel, dan weer aan de Brandenburgse concerten van Bach. Maar het grondplan dat Porpora hanteert is dat van Scarlatti: een Italiaanse ouverture in drie secties (snel-langzaam-snel). Tussen de twee buitendelen wordt een swingend stukje dansmuziek ingelast (Minuet). De opzet doet overigens denken aan die van de vroege symfonie, die onder de volgende componistengeneratie opgang zou maken: een sterk argument om het werk van Porpora niet weg te zetten als conventioneel of conservatief, maar zijn toepassing van een vast opera seria-recept als bewuste artistieke keuze te kwalificeren.

Getemperd

Slaan zonder zalven is niet eerlijk in het licht van de eeuwigheid. En dus mag een schets van die andere Porpora als pendant van de openingsparagraaf niet ontbreken. Want alle controverse ten spijt moet Porpora een uitzonderlijke man zijn geweest, die zich niet enkel twintig jaar lang aan de top van de Europese operawereld wist te handhaven, maar ook een neus had voor talent en zelf veel tijd stak in het welslagen van zijn leerlingen. Zo heeft hij heel wat sterren aan de hemel geholpen, waaronder – naast Metastasio en Hasse – Farinelli en Caffarelli, twee van de meest gevierde castraten van die tijd. De jonge Haydn is misschien wel de meest opvallende naam in dit gezelschap. Hij kwam als jongen in het huishouden van Porpora terecht en werd er naast student ook kamerbediende en begeleider. “De ware fundamenten van het componeren heb ik van de illustere Heer Porpora geleerd”, zei hij daarover. Ondanks zijn internationale carrière en indrukwekkende palmares, was Porpora’s levenseinde behoorlijk beroerd. Zijn laatste opera’s konden het publiek niet overtuigen en zijn pensioen als hofkapelmeester van Saksen stopte toen de Zevenjarige Oorlog het gebied bereikte. Met geen cent in zijn nalatenschap om voor de begrafenis te betalen, sloegen Napolitaanse musici de handen in elkaar om Porpora de gepaste eer te kunnen bewijzen. Dat ruikt niet naar een diabolische divo, maar naar een man van vlees en bloed, die naast vijanden ook vrienden had gemaakt. En dus was Porpora wellicht gewoon een mens zoals u en ik. Maar dan eentje die geniale muziek heeft geschreven.

Sofie Taes

Uitvoerenden

George Petrou

George Petrou dirigeert vooral muziek uit de achttiende en negentiende eeuw, al brengt hij ook met regelmaat werk uit de twintigste eeuw en muziek van nu, zowel symfonisch als operareper- toire. Zo vertaalde hij werken als West Side Story, Kiss me Kate en Sweeney Todd naar het Grieks. Hij studeerde piano aan het conservatorium van Athene en het Royal College en de Royal Academy of Music in Londen en had een succes- volle carrière als concertpianist, maar richtte zich meer en meer op het dirigeren. Petrou is artistiek leider van het in Athene gevestigde orkest Armo- nia Atenea, dat zowel op historische als moderne instrumenten speelt. Recente- lijk dirigeerde hij onder andere La traviata in Toulouse, Il barbiere di Siviglia bij de Nederlandse Reisopera en Carlo il Calvo in Bayreuth, eerder had hij optre- dens in de Opera de Lausanne, Oper Leipzig, het Staatstheater Wiesbaden, het Theater St Gallen, de Opera de Nice, de Koninklijke Zweedse Opera en La Monnaie in Brussel. Met regelmaat is hij te gast bij de Händel-festivals van Karlsruhe en Halle, bij de Salzburger Pfingsfestspiele, de BBC Proms, het Festival de Beaune, in het Theater an der Wien en bij het Opera Rara-festival, bij het Gewandhausorchester Leipzig, Concerto Köln, Pomo d’oro, B’Rock en het Staatsorkest van Athene. Zijn cd-opnamen, waaronder vele Händel-opera-registraties, werden internationaal enthousiast ontvangen. George Petrou is een Associate of the Royal Academy of Music, London, werd in Frankrijk geëerd met de titel ‘Chevalier de l’ordre des Arts et des Lettres’ en ont- ving de Sebetia Ter-prijs in Napels.

Eerder in de Matinee: Händel Alessandro (2013), Hasse Siroe (2015)

Max Emanuel Cencic | Lottario

Countertenor Max Emanuel Cencic brak internationaal door als Nerone in Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea in Theater Basel, en was aansluitend te zien in de titelrol van Händels zelden uitgevoerde opera Faramondo, en als Heraut in de wereldpremière van Reimanns Medea in de Wiener Staatsoper. Hij debuteerde in de Oper Frank- furt in Glucks Ezio, zong de Carmina Burana tijdens het festival Chorégies d’Orange, en vertolkte de titelrol in Händels Ottone in Theater an der Wien, waar hij ook te zien was als Orlando in Orlando furioso. Hij zong Oreste in Offenbachs La belle Hélène in de Staatsoper Hamburg en Polinesso (Ariodante) in de Wiener Staatsoper, en regisseerde in het Badisches Staatstheater Händels Arminio, waarin hij ook de titelrol op zich nam. Als artistiek leider van Parnassus Arts Productions speelde Cencic een belanrijke rol in de produc- tie van Italiaanse barokwerken, zoals Leonardo Vinci’s opera Artaserse, waarin hij zelf de rol van Mandane vertolkte. Sinds dit jaar is hij ook artistiek leider van het Bayreuth Baroque Festival.

Eerder in de Matinee: Händel Susanna (Joacim, 2009), Vivaldi Farnace (Farnace, 2012), Händel Alessandro (Alessandro Magno, 2013), Vinci Artaserse (Artaserse, 2014), Hasse Siroe (Siroe, 2015)

Franco Fagioli | Adalgiso

De Argentijnse countertenor Franco Fagioli studeerde piano en zang in Buenos Aires en brak internationaal door als winnaar van het Neue Stim-men-concours van 2003. Sindsdien is hij vaste gast in alle grote operahuizen en concertzalen. Zo was hij in Royal Opera House Covent Garden te zien als Idamante (Idomeneo) en als Nerone in Agrippina, een rol die hij ook vertolkte in de Bayerische Staatsoper en Teatro Real Madrid. Hij stond als Andronico (Tamerlano) in de Milanese Scala, zong de titelrol in Händels Serse in het Staatstheater Karlsruhe, de rol van Piacere in Il trionfo del Tempo e del Disinganno tijdens het Festival d’Aix-en-Provence, in de Opéra de Lille en Théâtre de Caen, Ruggiero (Alcina) in de Staats­ oper Hamburg, en de titelrol in Händels Giulio Cesare in Teatro Colón in Buenos Aires en Opernhaus Zürich. Fagioli was bij De Nationale Opera en de Opéra national de Paris te zien in de titelrol van Cavalli’s Eliogabalo. Hij werkte met dirigenten als Nikolaus Harnoncourt, René Jacobs, Marc Minkowski en Riccardo Muti, en maakte talloze cd-opnamen.

Eerder in de Matinee: Vinci Artaserse (Arbace, 2014)

Suzanne Jerosme | Giuditta

De in Parijs geboren sopraan Suzanne Jerosme studeerde aan de Londense Guildhall School of Music and Drama en aan de Hochschule für Musik und Tanz Köln. Ze was meermaals te gast tijdens het Festival d‘Auvers-sur-Oise in Frankrijk met werken van Händel en Mozart, en werkte als solist mee aan de wereldpremière van Pascal Zavaro‘s Annonciation. Sinds 2017 is ze vast verbonden aan het ensemble van Theater Aachen, waar ze rollen vertolkt als Flora in Benjamin Brittens The Turn of the Screw, Lauretta (Puccini’s Gianni Schicchi), Blanche de la Force (Poulencs Dialogue des Carmélites), Zerlina (Don Giovanni), Despina (Così fan tutte), Poppea (L’incoronazione di Poppea), Bellezza (Händels Il trionfo del Tempo e del Disin- ganno), Woglinde (Die Ring-Trilogie) en Wanda in Offenbachs La Grande-Duchesse de Gérolstein. Onlangs debuteerde ze als Morgana in Händels Alcina in de Opéra national de Lorraine in Nancy, onder de baton van dirigent Leonardo García Alarcón.

Nian Wang | Eudige

Mezzosopraan Nian Wang begon haar carrière aan het Nanjing Arts Institute en maakte als zogeheten ‘fellow’ deel uit van het San Francisco Opera Adler-programma, waar ze haar debuut maakte als Ascagne in Berlioz’ Les Troyens. Op haar repertoire staan rollen als Siébel (Gounods Faust) bij de Amerikaanse St. Petersburg Opera Company, Zweite Dame (Die Zauberflöte, Seattle Opera en San Francisco Opera), Cheru-bino (Le nozze di Figaro, National Centre for the Performing Arts Beijing), Romeo (I Capuleti e i Montecchi) en de titelrol in Händels Rinaldo in het Curtis Opera Theatre, en Nicklausse en Muze in Offenbachs Les contes ‘Hoffmann bij de Martina Arroyo Foundation. In Europa was ze te zien als Elena (Rossini’s La donna del lago) in het Kroatisch Nationaal Theater Zagreb, en bij het Olden burgsches Staatstheater, waar ze sindskort deel uitmaakt van het ensemble. Hier zingt ze rollen als Wellgunde (Wagners Götterdämmerung), Sesto (Mozarts La clemenza di Tito) en Hänsel (Humperdincks Hänsel und Gretel).

Hasnaa Bennani | Gildippe

De Frans-Marokkaanse sopraan Hasnaa Bennani studeerde aan het Conservatorium van Parijs en heeft sindsdien een breed repertoire opgebouwd met een voorliefde voor onbekendere werken. Zo zong ze de rol van Al Faima in Dubois’ Aben-Hamet in L’Atelier lyrique de Tourcoing, La Neige en Le Printemps in La Chouette enrhumée van de Franse componist Gérard Condé in het Opéra- Théâtre de Metz, Waternimf in Lully’s Armide in de Opera national de Lor-raine, en Cléone en Ombre heureuse in Rameau’s Castor et Pollux met Le Concert Spirituel in Théâtre des Champs-Ely-sées, en met Les Talens Lyriques in Théâtre du Capitole in Toulouse. Ze debuteerde tijdens de Händel-Festspiele Halle als Berenice in Händels Scipione, en keerde er terug als Jaël in Deborah. Ze zong Ismène in Marin Marais’ Alcyone in de OpéraComique in Parijs, Oberto in Händels Alcina in de Opéra de Monte-Carlo, L’Opéra Royal de Versailles en de Halle aux Grains in Toulouse, en Belinda in Purcells Dido and Aeneas in [‘Atelier lyrique de Tourcoing en Théâtre des Champs-Élysées

Eerder in de Matinee: Bach Hohe Messe (2013), Rameau Zaïs (Amour, 2014) 

Bruno de Sá | Berardo

De Braziliaanse mannelijke sopraan Bruno de Sá maakte zijn professionele debuut als Sesto in Mozarts La clemenza di Tito in het Theatro São Pedro in São Paolo, waar hij later terugkeerde als Gherardino (Puccini’s Gianni Schicchi), Harry (Benjamin Brittens Albert Herring), Cherubino (Le nozze di Figaro) en Erste Dame (Die Zauberflöte). Tijdens het 20e Festival Amazonas de Ópera in Manaus was hij te zien als Ein junger Hirt in Tannhäuser, en tijdens de Passauer Sommerakademie zong hij Rossini’s Petite messe solennelle. Als lid van de Theater Basel-Studio vertolkte hij rollen als Kleine Meerjungfrau in de wereld- première van Andersens Erzählungen van Jherek Bischoff, Barbarina in Le nozze di Figaro en Florestine in Milhauds La mère coupable. In Theatro Municipal in São Paulo debuteerde hij in Leonard Bernsteins Chichester Psalms en John Adams‘ El Niño. De rol van Berardo zong hij eerder onder meer in Theater an der Wien, waar hij ook te zien was als Isacio in een concertante uitvoering van Hasse’s Irene.

Petr Nekoranec | Asprando

De Tsjechische tenor Petr Nekoranec studeerde aan het Conservatorium van Pardubice en trad na zijn studie toe tot de Opernstudio van de Bayerische Staatsoper, waar hij onder meer te zien was in de titelrol van Rossini’s Le comte Ory en Benjamin Brittens Albert Herring, en als Wilhelm in Offenbachs Les contes d’Hoffmann. Aansluitend maakte hij deel uit van het Lindemann Young Artist-programma van de Metropolitan Opera in New York, waar hij onder meer aantrad in Massenets Cendrillon. Sinds 2018 is hij verbonden aan de Oper Stuttgart, waar hij rollen zingt als Il Conte d’Almaviva in Rossini’s Il barbiere di Siviglia, Don Ramiro in La Cenerentola en Ernesto in Donizetti’s Don Pasquale. Onlangs kwam zijn eerste cd uit, met daarop een selectie van Franse aria’s, opgenomen met het Tsjechisch Filharmonisch Orkest onder de baton van dirigent Christopher Franklin.

Armonia Atenea

Armonia Atenea (voorheen: Athens Camerata) werd in 1991 opgericht. De leden van het orkest zijn thuis in een breed repertoire: concerten en opera- en balletproducties van barok tot nu, en bespelen zowel oude als nieuwe instru- menten. Veel componisten componeer- den werk voor hent, en het orkest zet zich vol overgave in voor educatieve taken. George Petrou is de artistiek leider; Sir Neville Marriner was een van zijn voorgangers. Armonia Atenea heeft concertseries in het Megaron en het Onassis Cultuurcentrum in Athene. Het treedt internationaal op in bijvoorbeeld de Weense Musikverein en het Theater an der Wien, bij de Salzburger Festspiele, in de Salle Pleyel en het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, de Opéra Royal de Versailles, het BOZAR in Brussel, het Amsterdamse Concertgebouw, de Tsjaikovski-zaal in Moskou, de Opéra de Monte-Carlo, het Palau de la Música in Barcelona en Wigmore Hall in Londen en was in 2014 het eerste Griekse orkest dat optrad in de BBC Proms. Het orkest werkte samen met dirigenten en solisten als Salvatore Accardo, Philippe Entremont, Martha Argerich, Karina Gauvin, Matthias Goerne, Vivica Genaux, Leonidas Kavakos, Stephen Bishop-Kovacevich, Julia Lezhneva, Radu Lupu, Mischa Maisky, Yuri Bashmet, Sir Jehudi Menuhin, Joshua Bell, Fabio Biondi, John Williams, Mstislav Rostropovich, Arturo Sandoval, Max Emanuel Cencic, Heinrich Schiff, Thomas Hengelbrock en Christopher Hogwood. Armonia Atenea wordt gesteund door het Griekse Ministerie van Cultuur

Eerder in de Matinee: Händel Alessandro (2013), Hasse Siroe (2015)

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Word Vriend of Genoot van de Matinee

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.