Video overzicht

Coro e Orchestra Ghislieri
Pergolesi en Scarlatti

  • Coro e Orchestra Ghislieri o.l.v. Giulio Prandi

Tussen sensatie en sentiment

Scarlatti en Pergolesi op het gangpad van bühne naar altaar

Niet Rome of Venetië, maar het operagekke Napels was ca. 1700 het beloofde land voor de musicus met ambitie. In de theaters en aan het hof van de Spaanse onderkoning konden componisten en uitvoerders een comfortabel bestaan uitbouwen. De stad beleefde bovendien een periode van artistieke hoogconjunctuur dankzij innovaties uit de (komische) opera die ook door andere genres een frisse wind lieten waaien. Vooral het religieuze repertoire uit Napels werd in gans Italië gesmaakt: een cocktail van stevig contrapunt geschoeid op de leest van de renaissance, knetterend concertato beademd door de Monteverdi-school, trendsettende galanterieën en geëxalteerde dramatiek, gemengd volgens uiteenlopende receptuur. Een van de meest vernuftige mixologisten was Alessandro Scarlatti: de stamvader van een roemrucht muzikantengeslacht en grondlegger van de Napolitaanse School die de suprematie van de Venetiaanse opera zou breken.

Soundtrack voor Trastevere

Scarlatti was in Napels beland in 1683, na zijn opleiding en eerste professionele successen te hebben genoten in Rome. Daar had hij zich weten op te werken tot de culturele elite en een schier onuitputtelijk kapitaal gekweekt bij vermogende muziekmecenassen. Dat hij rond 1720 – zowat veertig jaar na zijn vertrek – de ‑vraag kreeg om muziek te schrijven voor de basiliek van Sint Cecilia in Trastevere[1], hoeft dus niet te verwonderen, zeker niet gezien de Napolitaanse roots van zijn opdrachtgever: kardinaal Francesco Acquaviva van Aragona, diplomatiek vertegenwoordiger van Spanje in Rome. Acquaviva was sinds 1709 ook protector van de Sint Cecilia-basiliek, die hij niet enkel architecturaal liet verfraaien maar ook van op maat gemaakte muziek wilde voorzien. Op zijn vraag componeerde Scarlatti in 1720 en 1721 diverse psalmen[2] en bijhorende antifonen voor de vesperdienst van 22 november, Cecilia’s patroonsfeest. Uit diezelfde periode dateert een Messa di Santa Cecilia, die eveneens door de kardinaal zou zijn besteld. Het werk, een van de tien bewaarde missen van Scarlatti, onderscheidt zich van de rest op zowat alle vlakken. Want waar de componist doorgaans kiest voor a cappella-toonzettingen in de lijn van Palestrina, is de mis voor Cecilia een grootschalig en concertant werk dat met beide benen in de barok staat. Op het structurele vlak kiest Scarlatti voor een beproefd recept: de vijf delen van het misordinarium vormen het uitgangspunt, maar de lange teksten van het Gloria en het Credo worden respectievelijk in vier en drie subsecties verklankt. Elk nummer krijgt een eigen tonaliteit, tempo, melodiek en bezetting mee: een expressieve signatuur die telkens een specifieke kleur en emotie oplevert. Doorheen het bouwwerk met z’n vele kamertjes stippelt Scarlatti een traject uit dat naar alle hoeken van het laatbarokke spectrum voert, met variatie en contrast als gidsen. Virtuoze solopassages wisselen af met rijke koorfragmenten, beweeglijk contrapunt met transparante homofonie, concertante koorpassages met stemtechnisch vervaarlijke ensembles en aria’s met uitbundige ornamentiek. In het vierdelige Gloria raken de uitersten elkaar, met de jubilante antwoordzang tussen verschillende koorgroepen aan kop, gevolgd door de plechtstatige homofonie van Et in terra pax, de aaneenschakeling van mini-aria’s in Gratias, het gedragen lament van Qui tollis en de briljante, vijfstemmige fuga die het Quoniam naar een hoogtepunt voert. Op de nevenschikking volgt de versmelting, wanneer in het Agnus Dei de gezongen en instrumentale partijen over elkaar heen schuiven tot een millefeuille van klank.

[1]      Trastevere is een wijk van Rome, gesitueerd op de westoever van de Tiber.

[2]      Dixit Dominus, Laudate pueri, Laetatus sum, Nisi Dominus en Lauda, Jerusalem.

 

Inleving tot loutering

Scarlatti’s Messa di Santa Cecilia moet ongeveer uit dezelfde tijd stammen als zijn Stabat Mater: alweer een opdrachtwerk, ditmaal van de Napolitaanse broederschap Cavalieri della Virgine dei Dolori. De beperkte middelen die de orde voor muziekuitvoeringen ter beschikking had, verklaren de compacte bezetting van sopraan, alt, twee violen en basso continuo. De vier delen en achttien nummers tellende compositie behoort anno 2021 tot de meest geliefde werken van Scarlatti. Maar binnen de liturgische praktijk bleek ze een veel korter leven beschoren: met minder dan vijftien jaar op de teller werd Scarlatti’s Stabat Mater vervangen door een werk in modernere stijl van Giovanni Battista Pergolesi: de jonge Napolitaan die met La serva padrona het vuur aan de lont had gestoken van de opera buffa. Het werd de laatste compositie van de componist, die in 1736, amper 26 jaar oud, stierf aan tuberculose. De bezetting van Pergolesi’s Stabat Mater is identiek aan dat van Scarlatti, maar het twaalfdelige vormplan vertoont een meer rigoureuze afwisseling tussen solo-aria’s en duetten. Ook de muziektaal is fundamenteel anders: de essentie van deze partituur is niet haar barokke glamour, maar haar klassieke elegantie en balans. Pergolesi focust bovendien meer op de stemmen, die concertant worden uitgespeeld ten opzichte van de instrumenten. In de solistische passages staan de stemeigen registers van de zangers centraal, in de duetten krullen hun timbres magistraal om elkaar heen. Ondanks de beperkte bezetting slaagt de componist er zo toch in om de partituur diepte en dimensie te geven. Waar het de melodie betreft schakelt Pergolesi nog een versnelling hoger dan Scarlatti: thema’s worden uitbundig versierd in extraverte gestes die beslist schatplichtig zijn aan de bühne. Ook de waaier aan kleuren en emoties gaat helemaal open, dankzij Pergolesi’s slimme strategie om niet alles in te zetten op tragiek en tranen. Er is natuurlijk de iconische openingspassage met zijn voorhoudingen, en ook het tweede en derde duet spreken met hun dissonanten en chromatiek de taal van de universele weeklacht. Maar andere secties, zoals de lichtvoetige alt-aria Quae moerabat en het lieflijke Inflammatus, zijn gloedvol, energiek, spits en bijna opgewekt. Het totale luisterbeeld levert een verrassende conclusie op: de schijnbaar onoverbrugbare kloof tussen Stabat Mater en La serva padrona is gezichtsbedrog. De verschillen tussen beide werken op het vlak van emotie en intentie, context en narrativiteit vertalen zich niet in een muzikale dualiteit maar in klankwerelden die elkaar raken.

Vrouwenzaken?

Die expressieve meerduidigheid was de nucleus van de controverse die Pergolesi’s Stabat Mater van bij het begin omringde. Kritische stemmen vonden de blijgeestige, haast ludieke toon van bepaalde passages niet passen bij de tragische bijbelscène. Ook zijn gebruik van de post-barokke, galante stijl, die toentertijd furore maakte in de opera, wekte wrevel. Daarnaast kreeg ook het expressieve register van Pergolesi tegenwind. De gevoeligheid van de muziek zweemde naar sentimentaliteit, bewust geïnstalleerd door de componist om inleving en medelijden op te wekken, aldus sceptici. Sommige auteurs maakten expliciet gewag van een ‘weke’ en ‘verleidelijke’ vorm van emotionaliteit die als een bedreiging voor de goede smaak en de authenticiteit van de devotie werd beschouwd. Een opvallende sneer in dat verband kwam van muziektheoreticus en Bach-biograaf Johann Nikolaus Forkel, die beweerde dat de godvruchtige façade van Pergolesi’s werk “de onervaren muziekliefhebber misleidt als een vrome hypocriet en zich zo een innerlijke waarde en religiositeit toe-eigent die ze niet bezit.” Andere auteurs zagen niet zozeer in het gebrek aan godsvrucht maar in de ‘vervrouwelijkte’ expressiviteit een gevaar. Karl Spazier, een tijdgenoot van Forkel, stelt scherp: “Alles in Pergolesi’s werk is zwak […] En wat zwak, zoet, smelterig of melodieus is, windt ongetrainde oren makkelijk op en weet vrouwenharten (voeg maar toe: verwijfde mannenharten) voor zich te winnen”. Ondanks de kritische stemmen zou Pergolesi’s Stabat Mater tal van collega-componisten inspireren. Onder hen: Camillo de Nardis, die een Preludio schreef; Joseph Eybler, die koorpassages integreerde; Ignaz von Seyfried, die obbligato trombones toevoegde; Giovanni Paisiello, die de begeleiding orkestreerde; en Johann Adam Hiller, die de bezetting uitbreidde met windinstrumenten en mannenstemmen. Hun updates van het origineel naar een stijlidioom passend bij de tijd, hebben bijgedragen tot de blijvende populariteit van het werk, dat consistent in de top van klassieke hitparades terug te vinden is.

Theater van de ziel

Met zijn minder controversiële Messa di Santa Cecilia heeft Scarlatti ook gevoelig minder lauweren geoogst; zij is zelfs slechts in één bron overgeleverd. Toch bewandelt ook hij het gangpad tussen altaar en theater met brio. Scarlatti speelt niet op beeld maar op klank. Dat is ten dele inherent aan de teksten van het misordinarium, die fundamentele geloofsartikelen bundelen en niet het geïndividualiseerde perspectief van de treurende Maria bezitten. Maar ook de pedigree van de componist, die in Rome met katholieke kerkmuziek was opgegroeid, en de bestemming van de mis – de basilica waar Sint Cecilia’s lichaam begraven ligt – verklaren waarom Scarlatti de teugels van zijn concertato-mis nooit helemaal laat vieren. Het heersende principe heet hier niet ‘drama’ maar ‘drive’: het zijn de dynamiek van de interactie tussen solisten, koor[1]en instrumenten, de voortdurend veranderende texturen, de royale vocale schriftuur en de subtiele motiefwerking die de partituur haar uitdrukkingskracht verlenen. Een passende ode aan de Romeinse martelares die “in haar hart zong tot God” en zo beschermheilige werd van de muziek.

Sofie Taes

[1] Vandaag wordt de mis dubbelkorig uitgevoerd, ook al is dat niet als zodanig in de partituur uitgeschreven.

 

Uitvoerenden

Giulio Prandi

Giulio Prandi, orkest- en koordirigent, wiskundige en muziekfiloloog, artistiek leider en oprichter van het Coro e Orchestra Ghislieri, studeerde compositie bij Bruno Zanolini, orkestdirectie bij Donato Renzetti, koordirectie bij Domenico Zingaro aan het Conservatorio G. Verdi in Milaan, en wiskunde en zang. Met het in 2003 opgerichte Coro e Orchestra Ghislieri treedt hij op in de belangrijke Europese concertzalen, waaronder de Philharmonie in Berlijn, het Concertgebouw en BOZAR in Brussel, en bij festivals als die van Ambronay, Besançon en Chaise-Dieu, MaFestival Brugge, Enescu-Festival in Boekarest, de Internationale Händel-Festspiele Göttingen, Festival Monteverdi in Cremona, Mito Settembremusica en Wratislavia Cantans. In 2019 was hij artist in residence bij het Festival Oude Muziek in Utrecht. Giulio Prandi is artistiek leider van het Centro di Musica Antica della Fondazione Ghislieri in Pavia. Met zijn onderzoekswerk bracht hij talloze onbekende en ongepubliceerde werken aan het licht van componisten als Galuppi, Jommelli, Perez, Perti, Durante, Astorga en Leo. Hij wijdt zich ook aan het geestelijk werk van Vivaldi, Pergolesi, Händel, Johann Michael Haydn, Joseph Haydn en Mozart. In 2021 maakte hij zijn debuut in het Teatro Filarmonico in Verona met de cantate Didone abbandonata van Jommelli en Dido and Aeneas van Purcell.

Eerder in de Matinee: Pergolesi Mis in D, Jommelli Miserere & Vivaldi Dixit Dominus RV 594 (2018), Vivaldi Sonate ‘Al santo sepolcro’, D’Astorga Stabat Mater, Bononcini Anthem for the funeral of the Duke of Marlborough & HändelDixit Dominus (2019), Jommelli Requiem & Mozart Requiem (2019)

Robin Johannsen

De Amerikaanse sopraan Robin Johannsen sloot zich als jonge artiest aan bij het ensemble van de Deutsche Oper Berlin. Zij zong er rollen als Susanna (Le nozze di Figaro), Norina (Don Pasquale), Oscar (Un ballo in maschera) en Soeur Constance (Les dialogues des Carmélites). Na nog twee jaren bij Oper Leipzig (Gretel, Marzelline, Blonde, Susanna en Pamina) ging zij in 2008 als freelancer verder. Sindsdien trad zij op in het Theater an der Wien, het Festspielhaus Baden-Baden, Megaron (Athene), de Staatsoper Berlin, de Hamburgische Staatsoper, het Teatro Regio Torino, de Staatsoper Stuttgart, Oper Frankfurt, de Vlaamse Opera, de Koninklijke Muntschouwburg en de Komische Oper Berlin, theaters waar zij de titelrollen in Händels Almira en Telemanns Emma und Eginhard vertolkte, plus rollen als Leonore (Fidelio), Konstanze (Die Entführung aus dem Serail), Fiordiligi (Così fan tutte) en Adina (L’elisir d’amore). Johannsen werkte samen met dirigenten als René Jacobs, Marin Alsop, Teodor Currentzis, Ottavio Dantone, Antonello Manacorda, Andrea Marcon, Alessandro De Marchi, Raphaël Pichon, Jérémie Rhorer en Christian Thielemann. Zij is dikwijls te gast bij de het Freiburger Barockorchester, de Akademie für Alte Musik Berlin, La Cetra Basel, de Internationale Bachakademie Stuttgart, Concerto Köln, Academia Montis Regalis en B’Rock. In seizoen 2019-2020 zong zij onder andere Haydns Schöpfung (Orchestra dell’Accademia nazionale di Santa Cecilia/Manfred Honeck en het Koninklijk Concertbouworkest/Philippe Herreweghe) en Bachs Magnificat in D (Wiener Symphoniker/Philippe Jordan en Semperoper Dresden/Ton Koopman). In de Verenigde Staten stond zij op het podium van de orkesten van Pittsburgh, Baltimore, Dallas en Cincinnati, en in de Alice Tully Hall in het Lincoln Center, het Philadelphia Kimmel Center, Carnegie Hall en bij het Oregon Bach Festival.

Eerder in de Matinee: Mozart Die Entführung aus dem Serail (Konstanze, 2014), Händel Parnasso in festa (Clio, 2016), Beethoven Leonore (Marzelline, 2017).

Paola Valentina Molinari

De in Milaan geboren sopraan Paola Valentina Molinari studeerde fluit aan de conservatoria van Milaan en Bergamo, en vervolgens zang bij Mary Lindsey, Janet Perry, Sara Mingardo, Edith Wiens, Adelina Scarabelli en Annamaria Di Micco. Zij begon haar solocarrière op haar 24ste met Giuseppe Gazzaniga’s Il convitato di pietra in Teatro Donizetti (Bergamo). Haar belangrijkste optredens: La finta semplice van Michele Varriale (Bergamo), Berta in Il barbiere di Siviglia (bij de opening in 2015 van het Teatro Zandonai in Rovereto) en A Dog’s Heart van Alexander Raskatov (Opéra de Lyon en La Scala, onder Martyn Brabbins). Zij werkte ook samen met dirigenten als Claudio Abbado, Sebastiano Rolli, Giovanni Antonini, Ádám Fischer, Enrique Mazzola, Vladimir Ashkenazy, Marcus Poschner, Diego Fasolis en Fabio Bonizzoni.

Raffaele Pe

De Italiaanse countertenor Raffaele Pe studeerde zang en orgel in de Kathedraal van Lodi en in Londen bij Colin Baldy. Hij maakte deel uit van het Young Artists’ programme van het Monteverdi Choir, waar hij samenwerkte met Sir John Eliot Gardiner. Zijn studie rondde hij af bij Fernando Cordeiro Opa in Bologna. Pe trad op bij het Spoleto Festival in de VS (Delio in Cavalli’s Veremonda, naast Vivica Genaux), in La Fenice (Vivaldi’s Orlando furioso), de Opera di Firenze (Vinci’s Didone abbandonata) en het Teatro Colón in Buenos Aires (Nerone in L’incoronazione di Poppea met Jean-Christophe Spinosi) en zong Orffs Carmina Burana in de Arena di Verona. Zijn Händel-rollen: Arsace in Berenice(Internationale Händel-Festspiele Göttingen), Nerone in Agrippina (Grange Festival), Medoro in Orlando (Theater an der Wien), de titelrol in Arbace (Händel-Festspiele Halle), Disinganno in Il Trionfo del Tempo e del Disinganno (Innsbruck, Versailles, Rouen) en Goffredo in Rinaldo (Opera Lombardia); hij zong Messiah onder Erwin Ortner (Wiener Musikverein). Raffaele Pe werkte samen met dirigenten als Jordi Savall, Diego Fasolis, William Christie, Alessandro De Marchi, Giovanni Antonini, Ottavio Dantone, Paul McCreesh, René Jacobs, Nicholas McGegan, Václav Luks, Christophe Coin, Antonio Florio, Jean-Christophe Spinosi, Leonardo García Alarcón en George Petrou.

Eerder in de Matinee:  Veneziano La Passione secondo Giovanni (Evangelista, 2018

Raffaele Giordani

De Italiaan Raffaele Giordani rondde een master scheikunde af in Ferrara, en legde zich aan het conservatorium van deze stad toe op de zangkunst van renaissance en barok. Hij trad op met ensembles als Concerto Italiano, Vox Luminis, Coro e Orchestra Ghislieri, La Vexiana, Malapunica, Odhecaton en De Labyrintho en hij is medeoprichter van La compagnia dei madrigale. In samenwerking met het ensemble Vox Altera zong hij ook eigentijdse muziek. Hij werkte samen met dirigenten als Rinaldo Alessandrini, Michael Radulescu, Ottavio Dantone, Fabio Bonizzoni, Giulio Prandi, Diego Fasolis, Robert King, Jordi Savall en Claudio Abbado. Hij trad op bij oudemuziekfestivals en in operahuizen over de hele wereld, en in Carnegie Hall. Zijn solo­repertoire omvat werk van Bach, Händels Messiah, werk van Monteverdi, Mozarts Requiemen de Petite messe solenelle van Rossini.

Eerder in de Matinee: werken van d’Astorga, Bononcini & Händel (2019), Jommelli Requiem & Mozart Requiem (2019)

Alessandro Ravasio

De bas Alessandro Ravasio studeerde zang aan de Scuola Civica di Musica Claudio Abbado in Milaan en zong in de operakoren van Teatro Donizetti in zijn geboortestad Bergamo en het Teatro Municipale in Piacenza. Zijn eerste operarollen waren Leporello (Don Giovanni), Sparafucile (Rigoletto) en Talbot (Maria Staurda). Na een masterclass van Gemma Bertagnolli ontdekte hij het barokke repertoire. Hij trad op in diverse oudemuziekensembles, waaronder Coro Ghislieri, en soleerde in Bachs Johannes-Passion, de Kaffeekantate (Schlendrian) en Cantate BWV 61, Händels Dixit Dominus, Messiah en Aci, Galatea e Polifemo (Polifemo), als Plutone in Monteverdi’s Orfeo, als Tempo in La rappresentatione di Anima et di Corpo van De’ Cavalieri, en Atrace in L’Empio punito van Alessandro Melani. Hij werkte samen met dirigenten als Rinaldo Alessandrini, Alessandro Quarta, Gianluca Capuano, Antonio Greco, Lorenzo Ghielmi en Giulio Prandi.

Coro e Orchestra Ghislieri

Het vocaal/instrumentale ensemble Coro e Orchestra Ghislieri werd in 2003 opgericht door dirigent Giulio Prandi. Het is gespecialiseerd in het sacrale repertoire van de achttiende eeuw en is gevormd naar het model van de grote achttiende-eeuwe cappella’s. Het heeft haar thuisbasis in het Centro di Musica Antica della Fondazione Ghislieri in Pavia. Het repertoire omvat de grote werken van de barok en de klassieke periode, maar ook onbekende meesterwerken van Italianen als Perez, Jommelli en Galuppi. Het heeft een eigen wetenschappelijk comité, dat samenwerkt met de afdeling Musicologie en cultureel erfgoed van de universiteit van Pavia. Het ensemble is vaste gast in zalen en op internationale muziekfestivals als BOZAR-music in Brussel, de Internationale Händel-Festspiele Göttingen, het Festival de musique Baroque d’Ambronay, het George Enescu Festival in Boekarest, La Chaise-Dieu, het Festival Oude Muziek in Utrecht, de Opéra de Rouen, in deSingel en AMUZ in Antwerpen en het Arsenal in Metz. In 2018 vierde Coro e Orchestra Ghislieri haar vijftienjarig bestaan met concerten in het Concertgebouw en de Berliner Philharmonie.

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Word Vriend of Genoot van de Matinee

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.