Video overzicht

Richard Wagner
Parsifal | akte 2

  • zaterdag 11 december 2010
  • Radio Filharmonisch Orkest & Groot Omroepkoor o.l.v. Jaap van Zweden

Parsifal: ‘Das große Leid des Lebens’

‘Een metafysisch adagio’ noemde de denker Ernst Bloch het ‘Bühnenweihfestspiel’ Parsifal ooit. Hiermee vatte hij in twee woorden de inhoudelijke en muzikale strekking van Wagners laatste opera samen. Als zoiets trouwens al mogelijk is bij diens muziekdrama’s, want de componist zat nooit verlegen om artistieke en niet-artistieke uitspraken over de wereld in het algemeen en het heelal in het bijzonder. Wagners muziektheater handelt over fundamentele vragen rond de menselijke existentie. Tristan und Isolde gaat over een allesverzengende liefde, maar ook over de implicaties van liefdesverlangen en doodsdrift. Het werk gaat eveneens over de definiëring van een eigen identiteit door middel van liefde en het verlies van die identiteit door diezelfde liefde. Der Ring des Nibelungen gaat over de onverenigbaarheid van liefde en machtsstreven, maar is ook een diepgaande exploratie van de vraag of de mens over een vrije wil beschikt of niet, en het werk gaat bovendien over de eeuwige cyclus van vernietiging en vernieuwing waarin de mensheid op deze aardbol gevangen zit.

Parsifal gaat over al het bovenstaande en nog veel, veel meer. Wagner zelf definieerde de thematiek van zijn zwanenzang als ‘Das große Leid des Lebens’. Alles wat hij aan het einde van zijn leven nog te zeggen had over leven, liefde, seksualiteit, psychologie, politiek, maatschappij, natuur, kunst, christendom, boeddhisme, jodendom en antisemitisme mengde hij in een – volgens sommigen giftige – graalsbeker tot een wervelend ‘metafysisch adagio’ van vier uur sacraal muziekdrama. Sacraal in de letterlijke betekenis van het woord. Wagners eigen genreaanduiding ‘Bühnenweihfestspiel’ betekent een sacraal en feestelijk theaterstuk. De handeling van Parsifal verwijst impliciet en expliciet naar het christendom en de kerkelijke rite. Eén van de vele ambities van Wagner was dan ook het Europese christendom te vervangen door zijn eigen rituele kunst.

Met de Ring had Wagner al een poging in die richting gedaan. In zijn eigen muziektempel in Bayreuth kon de Europese bevolking, na aanschaf van een gepeperd toegangsbiljet, ervaren hoe de revolutionaire held Siegfried alle oude machtsinstituties, inclusief de goden, wegvaagde, om een meer rechtvaardige maatschappij te realiseren. Maar Siegfried had gefaald. Niet alleen in Wagners eigen voorstelling van zaken in de Ring, maar eveneens omdat de componist gaandeweg had ervaren dat de mensheid zich niet altijd wílde laten bevrijden, zelfs niet als hij geduldig uitlegde dat dat in haar aantoonbare voordeel zou zijn. Wagner had zelf onder ogen gezien dat de utopie van de opofferende liefde, waarmee Brünnhilde de Ring toch nog tot een soort van happy end brengt, op een hersenschim stoelde.

Arthur Schopenhauer had Wagner al gewezen op de naakte, darwiniaanse strijd van het bestaan, zonder de illusie van een of andere beschaving. De mens werd voortgedreven door een blinde wil, de levensdrift – ook herkenbaar in de voortplantingsdrift – en de doodsdrift. Al het andere was ‘voorstelling’, oftewel, een mooie maar vrij nutteloze hersenschim. Liefde en liefdesgevoelens zijn volgens Schopenhauer dan ook niet meer dan een uitingsvorm van die voortplantingsdrift. Wagner komt, met Schopenhauer, tot een simpele conclusie: ‘Alle leven is lijden’. Slechts op twee manieren kon de mens zich aan dat nietsontziende egoïsme van de redeloze wil onttrekken: door middel van volledige uittreding uit het wereldse leven en het strikt afwijzen van de verleidingen daarvan, zoals monniken dat doen, of, tijdelijk, door het beleven van de overweldigende natuur of een subliem kunstwerk, en dan met name de kunst van de muziek.

Het probleem ‘liefde’

Na de Ring moest Wagner het ‘probleem’ van de liefde in een nieuw werk tot een oplossing brengen. Dat werd Parsifal. Het essentiële verschil met al zijn voorgaande werken is het feit dat in Parsifal geen liefde meer voorkomt. Alle personages leven in een liefdeloos universum, waarin alleen de voortplantingsdrift, de lust, is overgebleven. Wat Wagner daar tegenover stelt, valt vooralsnog te bezien, maar één zaak is hier van belang. Met Schopenhauer beschouwt Wagner die voortplantingsdrift niet als moreel verwerpelijk. Hij situeerde Siegfried, die in de Ring al aan eenzelfde euvel leed, in een amoreel en geen immoreel universum, in een wereld waarin de moraal niet wordt overtreden, maar waarin iedere moraal ontbreekt. Dat is ook in Parsifal het geval, en dat is ten dele het geheim van Wagners grote succes in de negentiende eeuw.

Afgezien van de muzikale fascinatie is er ook een inhoudelijke. Het victoriaanse Europa zuchtte onder een groot schuldbesef over zijn lichamelijkheid en seksualiteit. Het katholicisme en het protestantisme lieten weinig tot geen ruimte voor het fysiek positief beleven van liefde en lust. Wagner wist als geen ander welke grote psychische druk hierdoor werd veroorzaakt. Hij probeert daarom de morele last af te werpen en de seksualiteit uit het christelijke systeem te tillen. Hij neemt als kunstenaar de zonden weg waar de wereld onder gebukt gaat. Parsifal vormt het sluitstuk van die ambitie. Tegelijkertijd probeert hij de ‘van schuld verloste’ mensheid in zijn eigen richting te bewegen: zijn kunst zal uiteindelijk de christelijke moraal in Europa geheel vervangen.

Maar Wagner besefte eveneens dat de psychische druk van de seksualiteit ‘an sich’ geen geconstrueerd christelijk onderdrukkingsmechanisme, maar een ingebouwd menselijk tekort was. Aangezien de mens daar niet uit kon ontsnappen, ontwikkelt hij in Parsifal een geheel eigen ‘amorele ethiek’. Uitgerekend met de attributen van het christendom zelf gaat hij aan de haal.

Centraal in het werk staat de graal, de beker waaruit Christus en zijn discipelen bij het Laatste Avondmaal zouden hebben gedronken en waarin de transsubstantiatie van wijn naar bloed had plaatsgevonden. In diezelfde beker had – volgens een vroegchristelijke legende – Jozef van Arimathea het bloed van de gekruisigde Christus opgevangen, toen diens zij met een speer werd doorboord. De heilige Drieëenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest keert in Parsifal terug als vader Titurel, zoon Amfortas, en Parsifal als representant van de Heilige Geest. In het libretto wordt Christus meermaals genoemd, en de hele rite die in de graalsburcht plaatsvindt, lijkt in alles op een heilige mis, met inbegrip van de eucharistie. Parsifal keert aan het slot van het verhaal naar de graalsburcht terug op Goede Vrijdag, de dag dat Christus aan het kruis stierf. Dan doopt hij ook Kundry tot christen.

Parsifal, de ‘zuivere dwaas’

Het enigmatische personage van Parsifal zelf, de bijna geslachtsloze jongeling, belichaamt voor Wagner de oplossing van het aardse dilemma. Hij is een ‘reine Tor’, een zuivere dwaas, de naïeve onschuld zelve, en in die zin een metafysisch en utopisch symbool. Maar nu geen liefde meer, zoals in de utopie van de Ring, maar een utopie van het ‘medelijden’, waarbij Wagner refereert aan het christelijke passie-begrip, dat zijn voorganger Bach al gethematiseerd had. Onder medelijden verstaat Wagner de erkenning dat het leven uit lijden bestaat en dat het ultieme begrip voor die wereld in het medegevoel voor dat lijden ligt. Daarom is Parsifal een ‘reine Tor’ die ‘durch Mitleid wissend’ wordt. Alleen met dit medelijden kunnen wij ons van onze egoïstische driften bevrijden en werkelijk iets constructiefs voor de wereld betekenen. De beste manier om dit medelijden op te wekken en zich daarvan bewust te worden ligt in de ‘medelijden opwekkende’ muziek, en dat is de muziek die Wagner voor Parsifal schreef. Dat is het ‘metafysische adagio’ dat uiteindelijk tot verlossing zal leiden.

Sterker nog: de Verlosser zelf – Parsifal die de Christus-rol van Amfortas heeft overgenomen – zal in die daad van medelijden ook zelf worden verlost. De laatste woorden van het werk luiden dan ook: ‘Erlösung dem Erlöser’.

Kundry’s dubbelleven

In deze kluwen van metafysische betekenissen en lichamelijke symboliek heeft Wagner nóg een ander belangrijk element verwerkt. Zijn middeleeuwse bron van het Parzival-epos, waarbij hij voornamelijk uitging van de tekst die Wolfram von Eschenbach kort na 1200 op schrift stelde, zette de componist geheel naar zijn hand. De kern van Wagners vertelling ligt in de band tussen graalridder Amfortas en de mysterieuze vrouw Kundry, die van Arabische oorsprong is. De historische aanleiding tot het epos was de verovering in de achtste eeuw van Spanje door de Arabieren, terwijl het verhaal zelf rond het jaar 1000 speelt. De graalsburcht op Montsalvat zou in het christelijke Noord-Oost Spanje (rond Barcelona) hebben gelegen terwijl de rest van het land in moslimhanden was. De graalridders bevechten de moslims, maar exact op het grensgebied ligt de burcht van Klingsor, de afvallige monnik-graalridder die met behulp van een toverslot, een tovertuin en betoverde bloemenmeisjes – lees: verleidelijke moslimvrouwen – de kuise ridders van de graalsburcht in het verderf probeert te storten. Zijn troef is de Arabische Kundry, die eerder Amfortas heeft verleid. Amfortas weet met de hulp van Gurnemanz te vluchten, maar raakt wel de heilige speer kwijt aan Klingsor, die hem daarmee een ernstige wonde in zijn zij toebrengt. Daarmee is de graalswereld ‘speerloos’ geworden en dus uit evenwicht geraakt. De wereld van de graalridders-monniken raakt vanaf dat moment steeds verder in verval. Bovendien kan Amfortas alleen genezen door aanraking met die kwijtgespeelde speer.

Kundry speelt in dit alles een ondoorgrondelijke rol. Zij leidt een dubbelleven. Zij is de ene keer femme fatale, en de andere keer een trouwe dienares van de graalridders. In de tweede akte, als zij Parsifal probeert te verleiden, blijkt hoezeer zij zelf op een tragische wijze gebukt gaat onder haar lusten. Zij vertoont daarbij pre-freudiaanse trekken van hysterie. Als zij Parsifal kust, brengt zij in hem de essentiële bewustwording tot stand. Parsifal leert de seksualiteit dus in beginsel kennen, en met dat besef wijst hij haar meteen af. Kundry en Amfortas zijn elkaars spiegel, als de archetypische vrouw en man. Het is Parsifals medelijden met het lot van deze twee mensen, die hem het noodzakelijke inzicht tot verlossing verschaft en waardoor hij de verleiding van Kundry kan weerstaan. Doordat Parsifal de speer naar de graalsburcht kan terugbrengen, herstelt hij het evenwicht binnen die monastieke gemeenschap. Kundry is eveneens aanwezig bij die ultieme verlossing, als een inmiddels gedoopte, volledig getemde en haast monddood gemaakte vrouw. Haar krachten zijn geneutraliseerd, en bij Parsifals verlossing sterft zij zelfs.

De graalridders kunnen nu voort met… Tja, met wat eigenlijk? Hun kuise, vrouwloze bestaan? Is dat de nogal vrouwvijandige boodschap van de componist? Komt de graalsgemeenschap in een vermeend hoger levensstadium van zuivere geslachtsloosheid terecht? Wagner suggereert dat, na het door driften en verleiding veroorzaakte verval, de verlossing uit onthouding, uit ascese, uit ‘Resignation’ bestaat. Of zijn het mannelijke en het vrouwelijke, Amfortas en Kundry, de verwondende fallische speer en de ontvangende met bloed gevulde graalskelk – zoals die in de mythische traditie rond de graal figureren – eindelijk met elkaar verzoend? Is de gedachte aan een vernieuwing, een ‘regeneratie’ van de graalswereld misschien vooral nodig omdat die gemeenschap nu juist met ‘onzuiver’ bloed vervuild was geraakt? Het onzuivere bloed kwam van de Arabische, niet-Arische (en daarmee misschien wel joodse) Kundry. Het was Kundry die in één van haar vele incarnaties de gekruisigde Christus had beledigd en uitgelachen. Wie de sluitende oplossing heeft mag het zeggen!

Hypnotiserende draaikolk

De muziek van Parsifal veroorzaakte bij de première in 1882 een schok in Europa. Men was inmiddels wel wat gewend van de Meester uit Bayreuth. In zijn Tristan und Isolde was chromatiek en dissonantie al hoofdbestanddeel geworden. In de Ring had de techniek van de zich ontwikkelende Leitmotive haast alle andere structuurelementen vervangen. Met Parsifal weet de bijna zeventigjarige Wagner zijn toehoorders opnieuw te verrassen. Herkenbare melodieën en zelfs herkenbare Leitmotive zijn grotendeels opgenomen in een groter, algeheel vloeiend klankbeeld, dat zijn structuur ontleent aan de ‘unendliche Melodie’. Deze techniek had Wagner ontwikkeld in Tristan, en zij bestaat uit een cyclische herhaling van het muzikale materiaal, waarin een continuerende of stijgende harmonische ontwikkeling plaatsvindt. Klanklaag over klanklaag laat hij steeds opnieuw in elkaar overvloeien. Ongetwijfeld speelde de akoestiek van het Festspielhaus een grote rol hierbij. De Ring was er weliswaar voor het eerst uitgevoerd in 1876, maar gecomponeerd zónder de akoestische ervaring van die zaal. Parsifal schreef Wagner met de mysterieuze klankkwaliteiten van dat theater in zijn hoofd. Deze allesoverheersende klankvermenging leverde hem ook het predicaat van ‘versluieraar’ op. In plaats van de muzikale structuur te tonen, wordt alles – melodie, harmonie, toonhoogte, orkestratie, ritme, tempo – onzichtbaar in het algehele klankbeeld opgenomen.

De Leitmotive, die in de Ring nog zo pregnant hoorbaar waren, hebben in Parsifal een andere gedaante, en deels ook een andere functie gekregen. Zij zijn veel meer psychologische Leitmotive geworden, die als klanksymbolen de gemoedstoestanden van de personages weergeven, op een veel diffusere en meer mysterieuze manier dan voorheen. Natuurlijk zijn er nog herkenbare motieven, zoals het graalsmotief, dat gebaseerd is op een oude protestantse koraal, het Dresdner Amen, dat ook in Mendelssohns Vijfde (‘Reformatorische’) symfonie klinkt. En er is ook een Avondmaalsmotief, een speermotief, een Goede-Vrijdagmotief, een Kundry-motief, een Parsifal-motief etcetera.

Met een grote simplificatie zijn het eerste en het derde bedrijf, die zich rond en in de graalsburcht afspelen, wel eens diatonisch genoemd, terwijl het middenbedrijf, waarin de verscheurde wereld van Kundry en Klingsor wordt geportretteerd, chromatisch zou zijn. Deels klopt dat, maar Wagner is hier juist een meester in de vermenging van alles met alles. Door de enorm uitgesponnen muzikale lijnen, die met hun steeds herhaalde minimale intervallen vaak aan minimal music doen denken, wordt alles, ook de gedragen, recitativische zangstijl, in één trage, hypnotiserende draaikolk opgenomen – Blochs ‘adagio’! Die kolk krijgt in het tweede bedrijf een dissonantere versnelling. Vervolgens horen we in het derde bedrijf duidelijk hoe de schijnbare diatoniek van het eerste is aangetast door de chromatiek van het tweede bedrijf. De tweede intocht in de graalsburcht is daarmee een harmonisch ‘verziekte’ versie van de eerste. Juist deze ‘zieke’ harmonieën, waarvoor het eeuwenoude tonale systeem als sneeuw voor de zon lijkt weg te smelten, veroorzaakte de grootste onrust. Wagner zou de muziek nu voorgoed hebben aangetast en ten grave hebben gedragen.

Inderdaad stond Parsifal, net als Tristan, aan de wieg van de volledige onttakeling van het tonale systeem na 1900. Met Debussy en Schönberg bleef er uiteindelijk weinig over van de klare taal van Bach, Mozart en Beethoven. Tegelijkertijd kreeg Parsifal een conservatieve cultstatus. Er ontstond een ware religieuze sekte rondom het werk. Tot in 1933, een halve eeuw lang dus, werd het Bühnenweihfestspiel onveranderd in het Festspielhaus uitgevoerd – met de decors van 1882 en in de regie van de Meester zelf. Een jaar na de eerste uitvoering was Wagner in Venetië gestorven. Cosima Wagner zorgde ervoor dat het werk alleen in Bayreuth mocht worden uitgevoerd. Dat was juridisch echter moeilijk te realiseren en kon alleen tot een maximale termijn van dertig jaar gelden voor landen die zich aan het verdrag voor auteursrechten hadden gecommitteerd. Niet iedereen wachtte tot de rechten vrijkwamen in 1914. De Metropolitan Opera in New York kwam in 1903 met een ‘roofversie’, maar 1902 had de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst al een integrale uitvoering gegeven in Nederland, en in 1905 volgde de Wagnervereeniging in Amsterdam. Dat riep de toorn op van Cosima, die vond dat het reine werk van haar overleden man zo bezoedeld werd. Maar zij kon niet voorkomen dat Europa in de ban raakte van dit ‘metafysische adagio’ en voorgoed gehypnotiseerd werd.

Willem Bruls

Uitvoerenden

Jaap van Zweden

Jaap van Zweden is Music Director van het Dallas Symphony Orchestra, chef-dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest en chef-dirigent van deFilharmonie in België.

Jaap van Zweden, geboren in Amsterdam, begon zijn carrière als violist. Hij studeerde aan het Conservatorium in Amsterdam en de Juilliard School in New York. Op 19-jarige leeftijd werd hij aangesteld als concertmeester van het Koninklijk Concertgebouworkest. Als solist en concertmeester werkte hij samen met dirigenten als Haitink, Dorati, Kondrashin, Bernstein, Giulini, Solti en Chailly. In 1995 startte hij zijn dirigentenloopbaan. Korte tijd later debuteerde hij in Carnegie Hall en maakte hij diverse tournees, zowel binnen Europa als naar onder andere Japan en Zuid-Amerika. Van 2000 tot 2005 was hij chef-dirigent van het Residentie Orkest. In augustus 2005 trad Jaap van Zweden aan als chef-dirigent van de klassieke orkesten van het Muziekcentrum van de Omroep in Hilversum. Met het Radio Filharmonisch Orkest gaf hij lovend ontvangen concerten tijdens het Singapore Sun Festival en maakte hij concertreizen naar onder meer Manchester, Birmingham, Berlijn, Wenen en Keulen. Jaap van Zweden is geregeld te gast bij de grote orkesten in de Verenigde Staten, Japan en Europa.

Naast het symfonische repertoire speelt opera een belangrijke rol in Van Zwedens carrière. In de afgelopen seizoenen dirigeerde hij Fidelio van Beethoven, La traviata van Verdi en Vanessa van Barber. Bij De Nederlandse Opera maakte hij zijn debuut met Puccini’s Madama Butterfly. In de ZaterdagMatinee dirigeerde hij de zeer lovend ontvangen concertante uitvoeringen van Wagners Lohengrin en Die Meistersinger von Nürnberg.

Hoogtepunten van de afgelopen seizoenen waren Van Zwedens debuutoptredens met de New York Philharmonic, Boston Symphony Orchestra, Chicago Symphony Orchestra, Atlanta Sym­phony, Saint-Louis Symphony en het Tonhalle Orchester Zürich. Hij is teruggevraagd bij het Philadelphia Orchestra, Orchestre National de France, Hong Kong Philharmonic en het London Philharmonic Orchestra. In het seizoen 2010-2011 zal hij zijn debuut maken op de BBC Proms. Jaap van Zweden nam met het Residentie Orkest de complete symfonieën van Beethoven op. Met het Radio Filharmonisch Orkest bracht hij de symfonieën van Brahms uit en neemt hij momenteel voor Challenge Records alle symfonieën van Bruckner op. Mahlers Vijfde symfonie werd opgenomen met het London Philharmonic en Sjostakovitsj’ Vijfde met deFilharmonie. Op het label van het Dallas Symphony Orchestra zijn inmiddels opnamen van symfonieën van Tsjaikovski en Beethoven uitgebracht. In augustus 2010 nam Van Zweden pianoconcerten van Mozart op met het Philharmonia Orchestra en David Fray.

Eberhard Friedrich

Eberhard Friedrich, geboren in Darmstadt, studeerde directie bij Helmuth Rilling in Frankfurt am Main. In 1986 werd hij aangesteld als koordirigent bij het theater van Koblenz. Vijf jaar later aanvaardde hij deze functie bij het Hessische Staatstheater in Wiesbaden. In 1991 startte hij als assistent-dirigent bij de Bayreuther Festspiele; in 2000 werd hij benoemd tot koordirigent van het festivalkoor. Sinds 1998 is Eberhard Friedrich tevens koordirigent van de Staatsoper Unter den Linden. Zijn kwaliteiten kwamen in het bijzonder aan het licht in Daniel Barenboims opname van Tannhäuser, die met een Grammy Award werd onderscheiden. Voor zijn aandeel in Schönbergs Moses und Aron, eveneens onder leiding van Barenboim, werd het koor van de Staatsoper in 2004 uitgeroepen tot ‘Koor van het jaar’. Eberhard Friedrich werkte verder in uiteenlopende producties met talloze andere koren, waaronder de Internationale Bachacademie in Stuttgart, het jongerenkoor van Baden-Württemberg, de koren van Krakau, Tallinn en Vilnius, het Praags Philharmonisch Koor en het radiokoor van Bavaria. Ook was hij te gast bij het Rundfunkchor Berlin, het RIAS Chamber Choir, het Groot Omroepkoor en het koor van Westminster College.

Falk Struckmann | Amfortas

Na zijn Bayreuther Festspiele-debuut in 1993 als Kurwenal zong de Duitse bas-bariton Falk Struckmann vele rollen bij de Berliner Staatsoper: in Der fliegende Holländer, Lohengrin, Die Meistersinger von Nürnberg, Der Ring des Nibelungen, Parsifal, Fidelio, Elektra, Salome en Wozzeck. Eveneens in de jaren ’90 debuteerde hij in de Scala als Siegfried onder Riccardo Muti en de New Yorkse Met als Wozzeck onder James Levine. Hij zong bovendien dikwijls bij de Wiener Staatsoper. In Bayreuth werkte Struckmann mee in de Ring onder Levine en Christian Thielemann en vertolkte hij de rol van Amfortas o. Bij de Salzburger Festspiele trad hij op in Tristan und Isolde en Hertog Blauwbaards burcht. In Covent Garden in Londen zong hij in Parsifal, in de Opéra in Parijs in Der fliegende Holländer, en in het Liceu in Barcelona in de Ring. Bij het aantreden van Simone Young als chef-dirigent bij de Staatsopera van Hamburg zong hij in Hindemiths Mathis der Maler. Een complete Ring en Pfitzners Palestrina volgden. Falk Struckmann trad recentelijk op in de Carnegie Hall in New York, waar Pierre Boulez dirigeerde. Hij draagt de eretitel ‘Kammersänger’ bij zowel de Berliner als de Wiener Staatsoper.

Ante Jerkunica | Titurel

De bas Ante Jerkunica werd in Kroatië geboren en vertegenwoordigde zijn land in 2007 bij de BBC Cardiff Singer of the World Competition. Na een aantal rollen bij de Nationale Opera van Zagreb en het Nationale Theater van Split sloot hij zich in augustus 2007 aan bij de Deutsche Oper Berlin, waar hij onder andere Basilio in Il barbiere di Siviglia, Bartolo in Le nozze di Figaro, Fafner in Siegfried en Colline in La bohème zong. Gast-engagementen brachten hem naar de Muntschouwburg in Brussel, waar hij optrad als Faust in Prokofjevs Vuurengel, de Hamburgische Staatsoper (Pietro in Simone Boccanegra) en de Opéra de Lyon (Soerin in Schoppenvrouw). In 2008 maakte hij zijn Salzburger Festspiele-debuut als 2. Geharnischter in Die Zauberflöte, om het daaropvolgende jaar terug te keren als Voix mysterieuse in Rossini’s Moïse et Pharaon. Daarna was hij te gast bij de Opera van Bilbao (Truffaldin in Ariadne auf Naxos), de Staatsoper Berlin (Dottore Grenvil in La traviata) en het Konzerthaus Wien (Brander in La damnation de Faust). Vorig seizoen vertolkte hij bij de Oper Köln de rollen van Groot-inquisiteur in Don Carlo en Fafner in Das Rheingold en Siegried. Op het concertpodium zong hij onder andere Verdi’s Requiem, Beethovens Missa solemnis en Dvoráks Requiem. De rol van Titurel zal Ante Jerkunica dit seizoen nog zingen in het Gran Teatro del Liceu in Barcelona.

Robert Holl | Gurnemanz

Robert Holl werd in 1947 geboren in Rotterdam en won op zijn 24ste de eerste prijs van het Internationaal Vocalisten Concours in ’s-Hertogenbosch. Daarna studeerde hij bij Hans Hotter in München, waar hij tussen 1973 en 1975 tegelijkertijd zijn eerste engagement had aan de Bayerische Staatsoper. Daarna trad hij overwegend als concertzanger op met dirigenten als Eugen Jochum, Karl Richter en Wolfgang Sawallisch. Maar al geruime tijd was Robert Holl ook in operaproducties te horen en te zien, onder meer bij de Wiener Staatsoper, de Brusselse Munt en sinds 1991 in het Zürcher Opernhaus met rollen als Sarastro in Die Zauberflöte en Don Basilio in Il barbiere di Siviglia en met dirigenten als Claudio Abbado, Nikolaus Harnoncourt en Franz Welser-Möst. Bij de Deutsche Staatsoper in Berlijn zong Robert Holl onder Daniel Barenboim als Landgraf Hermann in Tannhäuser, als Hans Sachs in Die Meistersinger von Nürnberg en als Daland in Der fliegende Holländer. Bij de Wiener Staatsoper zong hij de rol van Koning Marke in Tristan und Isolde onder Christian Thielemann. Bij de Bayreuther Festspiele was Robert Holl vanaf 1996 als bejubelde Hans Sachs in Die Meistersinger von Nürnberg te horen. In 2004 zong hij voor het eerst de rol van Gurnemanz in een nieuwe productie van Wagners Parsifal onder leiding van Pierre Boulez. Daarnaast geldt Robert Holl als een van de meest succesvolle liedzangers van onze tijd, met een voorkeur voor het Duitse en Russische repertoire. In 1998 werd hij benoemd tot Professor für Lied und Oratorium aan de Universität für Musik und Darstellende Kunst in Wenen. Robert Holl is een veel gevraagd docent van masterclasses en Schubertiaden in Nederland en Oostenrijk.

Eerder in de Matinee: o.a. Verdi Ernani­ (1972), Tsjaikovski Jevgeni Onegin (1973), Rachmaninov Aleko / De Klokken (1974), Tsjaikovski Iolanta (1975), Martin Der Sturm (2008), Wagner Die Meistersinger (2008)

Klaus Florian Vogt | Parsifal

Klaus Florian Vogt studeerde hoorn en was eerste hoornist in de Philharmoniker in Hamburg, toen hij een zangopleiding begon. Sinds de tenor zich in 1998 bij de Semperoper in Dresden aansloot, zong hij rollen als Tamino in Die Zauberflöte, Hans in De verkochte bruid en Matteo in Arabella en de titelrol in Lohengrin. Sinds 2003 werkt hij zelfstandig en vertolkte rollen als Stolzing in Die Meistersinger, Parsifal, en Erik in Der fliegende Holländer (Hamburg) en Loge in Das Rheingold (Dresden), Paul in Korngolds Die tote Stadt (Amsterdam), Florestan in Fidelio (Keulen en later in Los Angeles) en Siegmund in Die Walküre. In 2006 debuteerde hij bij de Metropolitan Opera in New York als Lohengrin, een rol die hij in La Scala in Milaan herhaalde. Na Andrej in Chovansjtsjina te hebben gezongen in München, maakte hij zijn Bayreuther Festspiele-debuut als Walter von Stolzing in Die Meistersinger. De Wiener Staatsoper engageerde Klaus Florian Vogt voor rollen als Erik, Lohengrin en Paul (Die tote Stadt), in Amsterdam zong hij Kaiser in Die Frau ohne Schatten, en bij de Staatsoper in Berlijn verscheen hij als Stolzing. Dit jaar staan nieuwe producties van Die tote Stadt in Madrid, Parsifal in Genève, Der fliegende Holländer bij de Opéra Bastille, Die Meistersinger in Bayreuth en de rol van Prins in Roesalka bij de Bayerische Staatsoper op het programma.

Eerder in de Matinee: Beethoven Negende symfonie (2003); Wagner Lohengrin (2008)

Krister St.Hill | Klingsor

Het repertoire van de Zweeds-Trinidadiaanse bariton Krister St.Hill bevat zeer uiteenlopende rollen, van Fliegende Holländer tot Sportin’ Life in Porgy and Bess. Hij debuteerde als Escamillo in Carmen in Stockholm en zong de rol van Donny in Michael Tippetts laatste opera New Year bij de Houston Grand Opera, in Glyndebourne en, concertant, voor de BBC in de Royal Festival Hall in Londen. Op cd zong hij de titelrol in Krˇeneks Johnny spielt auf, en in het openingsseizoen van het nieuwe operahuis in Göteborg zong hij Der fliegende Hollander. Zowel in Göteborg als bij de Koninklijke Opera van Stockholm zong hij Jochanaan in Salome, Amonasro in Aida en Scarpia in Tosca, maar St.Hill trad dit voorjaar ook op in Scott Joplins opera Treemonisha in het Théâtre Chatelet in Parijs. In Göteborg zong hij Ankerström in Gustavo III, de originele versie van Verdi’s Un ballo in maschera. De rol van Telramund in Lohengrin zong hij bij de Opera van Keulen, Klingsor zong hij bij de Opera van Göteborg.

Katarina Dalayman | Kundry

Na haar debuut als Brünnhilde in Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung bij de Koninklijke Opera van Stockholm herhaalde de Zweedse sopraan Katerina Dalayman deze rollen in Aix-en-Provence, bij de Osterfestspiele Salzburg en concertant met het Hallé Orchestra in Manchester. Het seizoen 2010-11 is grotendeels gevuld met Wagner. Bij de Opéra National de Paris zingt zij opnieuw in Die Walküre en Götterdämmerung, en zij zingt de complete Ring bij de Staatsoper in Hamburg. Bij de Semperoper in Dresden treedt zij op als Isolde. Daarnaast is zij in Stockholm te horen als Elektra. Eerder zong Katarina Dalayman rollen als Marie in Wozzeck (Brussel, Parijs, New York en Maggio musicale Florence), Elisabeth in Tannhäuser (München), Die Meistersinger (Stuttgart), Lisa in Schoppenvrouw (Chicago, New York, San Francisco en München), Ariadne (Milaan, Brussel, Dresden en München), Hertogin van Parma in Busoni’s Doktor Faustus (New York en Salzburger Festspiele), Brangäne in New York, Kundry in Parijs, Katarina in Sjostakovitsj’ Lady Macbeth van het district Mtsensk en Sieglinde (Covent Garden, Stockholm en de Metropolitan Opera). Op het concertpodium trad zij op met dirigenten als Riccardo Chailly, Sir Colin Davis, James Levine, Wolfgang Sawallisch, Mark Elder en Myung-Whun Chung. Katarina Dalayman is sinds december 2000 Hovsångere (Zanger van het Zweedse hof) voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Koning van Zweden.

Brenden Gunnell | Erster Gralsritter

Brenden Gunnell werd in Amerika geboren, zong van jongs af in een koor, en zong tijdens zijn studie aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia rollen als Brittens Albert Herring en Tamino in Die Zauberflöte. De tenor sloot zich aan bij de Operastudio in Amsterdam en vertolkte de titelrol in Händels Belshazzar. Sinds het seizoen 2007-08 maakt Brenden Gunnell deel uit van het ensemble van het Tiroler Landestheater in Innsbruck. Daar stond hij op het podium als Beppo in Pag­liacci, Quint in The Turn of the Screw, Loge in Das Rheingold, Peter Iwanow in Zar und Zimmermann, Narr en Andres in Wozzeck, Iopas in Les Troyens, Tamino, en Matteo in Arabella.

Thilo Dahlmann | Zweiter Gralsritter

In seizoen 2006/07 maakte de in 2007 afgestudeerde Duitse bas-bariton Thilo Dahlmann deel uit van de Internationale Operastudio van de Opera van Zürich. Hij zong bovendien bij de Deutsche Oper am Rhein in Düsseldorf, de Wuppertal Bühnen en de theaters van Koblenz en St. Gallen. Hij vertolkte vele rollen onder dirigenten als Helmuth Rilling, Peter Neumann, Franz-Welser-Möst, Nello Santi, Philippe Jordan, Helmut Müller Brühl, Andreas en Christoph Spering, Masaaki Suzuki en Ralf Otto. Zijn optredens leidden hem naar de Philharmonie van Keulen en Essen, het Festivaltheater Baden-Baden, de Arsénal in Metz, de Tonhalle van Zürich en Düsseldorf, Tokyo en het Amsterdamse Concertgebouw. Thilo Dahlmann is op dit moment docent aan de Keulse Hochschule für Musik, afdeling Wuppertal.

Julia Westendorp | Erster Knappe

Julia Westendorp studeerde in Tilburg en Den Haag, en wordt op dit moment gecoacht door Charlotte Margiono, Peter Nilsson en Alexander Oliver. Zij nam deel aan masterclasses bij Roberta Alexander, Gabriela Araya en Nelly Miricioiù. Op haar repertoire heeft de sopraan rollen als Second woman in Purcells Dido and Aeneas, Monica in The Medium van Menotti, Barbarina in Le nozze di Figaro, Michaëla in La Tragédie de Carmen van Bizet/Brooks en Mme Lidoine in Poulencs Dialogues des carmélites; als afstudeerproject zong zij Donna Anna in Don Giovanni bij De Nieuwe Opera Academie. In het oratorium- en liedrepertoire was zij te horen in het Amsterdamse Concertgebouw, de Doelen in Rotterdam, het Muziekcentrum Frits Philips in Eindhoven, de concertzaal van Tilburg en de Dr. Anton Philipszaal in Den Haag. Recentelijk zong zij Griegs Peer Gynt in concerten met Het Gelders Orkest en was zij op radio te horen. Ook nam zij deel aan ‘residency’s’ tijdens het Festival in Aix-en-Provence.

Cécile van de Sant | Zweiter Knappe

De Nederlandse mezzosopraan Cécile van de Sant zong operarollen als La Messagiera en Proserpina in Monteverdi’s L’Orfeo (Bayerische Staatsoper, München) en Speranza (Teatro Liceu, Barcelona), Orfeo in Glucks Orfeo ed Euridice(Scottish Opera), Iphigénie en Tauride (Royal Opera House, Covent Garden) en Sorceress in Dido and Aeneas (Opéra de Lausanne). Daarnaast zong zij vele Händelrollen, waaronder Queen of Sheba in Solomon (Israel Philharmonic Orchestra), Cyrus in Belshazzar en Irene in Atalanta (San Francisco), Goffredo in Rinaldo (Händel Festspiele, Göttingen), Cornelia in Giulio Cesare (Opera Ireland en Händel Festival Göttingen) en Medea in Teseo (Britten Theatre, Londen). Haar concert- en oratoriumrepertoire omvat Bachs Hohe Messe (met Jordi Savall), Händels Messiah (De Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Jos van Veldhoven), Mozarts Requiem (onder Jaap van Zweden), Elgars The Dream of Gerontius (RTE Dublin), Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen, Kindertotenlieder en Das Lied von der Erde. Zij zong bovendien de Nederlandse première van Rihms Deus Passus (Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Marcus Stenz).

Eerder in de Matinee: Zandonai Francesca da Rimini (2000); Bernstein Trouble in Tahiti, Barber A Hand of Bridge (2000); Britten Owen Wingrave (2003)

Jeroen de Vaal | Dritter Knappe

Jeroen de Vaal zong rollen als Tamino in Die Zauberflöte, Hänschen in Benoit Merniers Frühlings Erwachen, Daifilo in Granida van P. C. Hooft en Belial tijdens de wereldpremière van Robert Zuidams Adam in Ballingschap. Dit seizoen vertolkte hij bij De Nederlandse Opera de rol van Erste junge Offizier in Die Soldaten van Zimmermann en zal daar terugkeren als Squeek in Brittens Billy Budd. Jeroen de Vaal werkte in operahuizen als De Nederlandse Opera, Opera Zuid, De Vlaamse Opera, De Munt, de Opéra National de Lyon, de Opéra National du Rhin, Le Grand Théâtre de Luxembourg en aan de Wiener Kammeroper. Als concertzanger soleerde hij in Passionen en cantates van Bach, de Hohe Messe en het Weihnachts-Oratorium, missen van Mozart en diens Requiem, Membra Jesu Nostri van Buxtehude, Die Schöpfung en missen van Haydn, Carmina Burana van Orff en Otcˇe Náš van Janácˇek. Jeroen de Vaal maakt deel uit van het ensemble Frommermann en treedt op met pianiste Shuann Chai en sopraan Tamar Niamut (zoals op het Grachtenfestival 2010).

Pascal Pittie | Vierter Knappe

De Nederlandse tenor Pascal Pittie maakte zijn debuut als Albert Herring bij de Vlaamse Opera. Sindsdien zong hij Tamino in Die Zauberflöte (Opera RAI in Amsterdam), Kohout in Het sluwe vosje, Diener in Capriccio en 2. Schäfer in Daphne (alle bij De Nederlandse Opera), Erster Offizier in Der Prinz von Homburg van Henze en Barbarigo in I due Foscari (Nationale Reisopera), Célenite in Un petit voyage dans la lune van Offenbach (Opéra de Lyon), Aap in Peter Schats Aap verslaat de Knekelgeest (Zomeropera Alden Biesen) en Prologue en Peter Quint in The turn of the screw (Opera Garden Aberdeen). Meer recent zong hij Bardolfo in Falstaff bij de Vlaamse Opera, Dvorˇáks Requiem bij het Limburgs Symfonie Orkest, Harry in La fanciulla del West bij De Nederlandse Opera en Alfred in Die Fledermaus bij het Noord Nederlands Orkest.

Eerder in de Matinee: Puccini Manon Lescaut (2004); Wagner Die Meistersinger (2009)

Anna Stephany | Blumenmädchen

De Britse mezzosopraan Anna Stephany werkte veel samen met het BBC Sym­pho­ny Orchestra. In 2007 debuteerde zij bij de Proms als Wellgunde in Die Götterdämmerung onder Donald Runnicles en Janácˇeks Glagolitische mis onder Pierre Boulez in 2008 (later ook in Parijs en Ravenna). Verder zong Anna Stephany Dusapins To be sung met het Ensemble intercontemporain, Bachs Matthäus-Passion met het Orchestra of the Age of Enlightenment (Concertgebouw Amsterdam), Elgars The Light of Life (Utrecht), The Mask of Orpheus van Birtwistle (Proms) en Händels Theodora(Gabrieli Consort and Players). Recentelijk zong zij Laurette in Offenbachs La Chanson de Fortunio (Opéra Comique), Pergolesi’s Stabat Mater (BBC Proms met de Early Opera Company onder Christian Curnyn), Stefano in Roméo et Juliette (Staats Symfonieorkest van Rusland) en Hermia in A Midsummer Night’s Dream (Garsington Opera). Dit jaar maakte Anna Stephany ook haar debuut aan het Bolsjoj Theater in Moskou als Orlofsky in Die Fledermaus.

Martina Rüping | Blumenmädchen

Als lid van het ensemble van de operahuizen van Halle en Keulen zong de Duitse sopraan Martina Rüping onder andere Koningin van de nacht, Gilda, Norina, Susanna en Pamina. Sinds 2004 is zij lid van het ensemble van de Bayreuther Festspiele, waar ze de rol van Blumenmädchen onder leiding van Pierre Boulez/Adam Fischer en Daniele Gatti zong. Bij de Bayerische Staatsoper München zong zij Ida in Henzes Der junge Lord en Fiakermilli in Arabella, de rol waarmee zij later debuteerde bij het Théâtre du Capitole de Toulouse. In Los Angeles gasteerde zij als 1. Blumenmädchen onder leiding van Kent Nagano. Bij de Händelfestspiele Halle zong zij Clomiri (Imeneo), Iole (Hercules), Achill (Deidamia), Esilena (Rodrigo) en Magdalena (La resurrezione). Ook zong zij afgelopen seizoen in Rome Asprano in Vivaldi’s Motezuma onder leiding van Alan Curtis. Naast de oratoria van Haydn en de missen van Mozart en Schubert zingt Martina Rüping veel moderne muziek en geeft ze liedrecitals. Haar liedprogramma ‘Das schönste Mädchen Wiens’, tijdens het Festival Classique in Den Haag, werd live op Radio 4 uitgezonden.

Eerder in de Matinee: Haydn Die Schöpfung (2003); Schulhoff Flammen (2005); Oboechov Le troisième et dernier testament (2006); Gebel Der leidende, sterbende und begrabende Jesus (2007); Strauss Des Esels Schatten (2008)

Victoria Joyce | Blumenmädchen

De Britse sopraan Victoria Joyce zong vele rollen bij gezelschappen en festivals als het Aldeburgh Festival, de English Touring Opera en Opera Holland Park. In december 2005 debuteerde zij bij de Hamburgische Staatsoper als Koningin van de Nacht, een rol die zij ook zong bij het Macerata Festival, de Semperoper in Dresden, de Komische Oper in Berlijn en in Fankfurt. Onder de meer recente optredens waren rollen als Contessa di Folleville in Rossini’s Il viaggio a Reims in Frankfurt, een rol die zij eerder had gezongen tijdens het Rossini-Operafestival in Pesaro, Gilda in Rigoletto, Olympia in Les contes d’Hoffmann en Ravels L’enfant et les sortilèges bij de Komische Oper, Musetta in La bohème bij de Welsh National Opera, Véronique van Messager en Quiteria in Mendelssohns Die Hochzeit des Camacho bij het Buxton Festival. Concertoptredens waren er in Villa-Lobos’ Bachianas Brasileiras, Händels Messiah en Orffs Carmina burana.

Silvia Vázquez | Blumenmädchen

De Spaanse sopraan Silvia Vázquez trad op in theaters als de Milanese Scala, het Palau de les Arts Reine Sofia in Valencia (naast Plácido Domingo), het Teatro Communale in Florence, het Konzerthaus Berlin, de Vlaamse Opera in Gent en de Wiener Kammeroper. Zij werkte samen met de dirigenten Lorin Maazel, Zubin Mehta, Carlo Rizzi en Octavio Dantone. Silva Vázquez zong rollen als Lakmé van Delibes, Norina in Don Pasquale, Lucia in Lucia di Lammermoor, Gym Instructress en Drunken Woman in Lorin Maazels 1984, Woglinde in Das Rheingold, Micaela en Frasquita in Carmen en Serpina in Pergolesi’s La serva padrona.

Ute Ziemer | Blumenmädchen

De sopraan Ute Ziemer studeerde in Wenen bij Ruthilde Boesch en Elisabeth Schwarzkopf en volgde masterclasses bij Walter Berry, William Matteuzzi en Jill Feldman. Zij speelde gastrollen bij de Kammeroper in Wenen, bij het Badische Staatstheater Karlsruhe en zong Pamina in Die Zauberflöte, Marzelline in Fidelio, Susanna in Le nozze di Figaro en Adele in Die Fledermaus in het Schloßtheater Schönbrunn. Zij zong liedavonden en oratoria en verleende haar medewerking aan eerste uitvoeringen van eigentijdse muziek. Sinds januari 2010 is Ute Ziemer verbonden aan het Das Meininger Theater, waar zij dit jaar onder andere debuteerde als Agathe in Der Freischütz.

Barbara Kozelj | Blumenmädchen

De mezzosopraan Barbara Kozelj studeerde in Ljubljana (Slovenië) en aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag; daarna werd zij lid van de Nederlandse Opera Studio. Zij werd gecoacht door Phyllis Ferwerda en Anthony Legge; masterclasses volgde ze bij Anne Murray, Graciela Araya, Graham Clark, Mark Tucker en Cynthia Buchan. Recente engagementen omvatten Haydns Nelson-mis en Händels Messiah met de Academy of Ancient Music o.l.v. Richard Egarr, Händels Aci, Galatea e Polifemo met het Gabrieli Consort and Players onder Paul McCreesh in Wenen en Wigmore Hall, de titelrol L’enfant et les sortilèges in een tournee langs de grote Nederlandse theaters, 3. Dame, Flosshilde (Rheingold) en Iuno (Händels Semele) in het Aalto-Theater Essen en Page (Salome) bij De Nederlandse Opera.

Eerder in de Matinee: L. Andriessen Nocturnen (2009)

Radio Filharmonisch Orkest

  • opgericht in 1945 door Albert van Raalte
  • treedt vooral op in de omroepseries NTR ZaterdagMatinee en AVROTROS Vrijdagconcert
  • chef-dirigent sinds 2019: Karina Canellakis
  • haar voorgangers o.a. Paul van Kempen, Bernard Haitink, Jean Fournet, Hans Vonk, Edo de Waart, Jaap van Zweden en Markus Stenz
  • vaste gastdirigent sinds 2023: Stéphane Denève

 

Groot Omroepkoor

  • zingt koorpartijen in opera’s, oratoria en cantates in de concertseries van de Nederlandse Publieke Omroep, en a cappella
  • werkt samen met het Radio Filharmonisch Orkest en Koninklijk Concertgebouworkest.
  • eerste officiële chef-dirigent Kenneth Montgomery
  • chef-dirigent sinds 2020: Benjamin Goodson
  • opgericht in 1945

 

Mannen uit het Staatskoor ‘Latvija’

Het Staatskoor ‘Latvija’, dat in 2012 zijn zeventigste verjaardag viert, is het grootste concertkoor in Letland. Sinds 1997 is Māris Sirmais zijn artistiek leider en chef-dirigent. Behalve op het grote koorrepertoire uit de achttiende, negentiende en twintigste eeuw, legt het koor zich toe op eigentijdse muziek; het is ook te horen in Tom Tykwers film Perfume (2006). Driemaal (in 1998, 2000 en 2002) ontving het koor de Grote Muziekprijs van Letland, in 2003 volgde de Prijs van het Kabinet van Ministers van de Republiek Letland, en 2007 de Prijs van het Ministerie van Cultuur van de Republiek Letland. In recente jaren werkte het koor samen met de belangrijke symfonieorkesten van Singapore, Israël, Duitsland, Frankrijk, Estland, Moskou en St. Petersburg, en kleinere ensembles als het Absolut Ensemble en het Mahler Chamber Orchestra, en werd gedirigeerd door onder anderen Mariss Jansons, Neeme Järvi, Mstislav Rostro­povitsj, Kristjan Järvi, Paavo Järvi, Valery Gergiev, Zubin Mehta, Jeffrey Tate, Vladimir Fedoseyev, Andris Nelsons en Tõnu Kaljuste. Het zong recentelijk werken als The Sealed Angel van Rodion Sjtsjedrin, Chapter Eight van Alexander Knaifel, Deer’s Cry van Arvo Pärt, Itaipu van Philipp Glass en Russisch Requiem van Lera Auerbach.

www.choirlatvija.lv

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Word Vriend of Genoot van de Matinee

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.