Bach
Hohe Messe
- zaterdag 14 november 2020
- Helsinki Baroque Orchestra o.l.v. Aapo Häkkinen
Bach: Min in b ‘Hohe Messe’
Over engelenzang, een open sollicitatie en oude muziek
Laat ik er meteen maar geen doekjes om winden: strikt genomen bestaat Bachs Hohe Messe niet. Het werk dat wij tegenwoordig vaak zo noemen is een samenvoeging van vier bundels autografen, die bij elkaar weliswaar een volledige toonzetting van de liturgische ordinarium-teksten opleveren, maar die voor een wezenlijk deel niet met die intentie zijn gemaakt. De titel Hohe Messe is dan ook niet van Bach afkomstig, maar dateert uit de negentiende eeuw, toen het werk onder het stof vandaan werd gehaald en de naamloze mis vanwege zijn buitenproportionele omvang als een missa solemnis (een mis voor de grootste kerkelijke feestdagen) werd begrepen. In de Bach-wetenschap geeft men er de voorkeur aan het werk als Mis in b aan te duiden (die titel zal ik hieronder ook aanhouden), hoewel ook daar bezwaar tegen aan te tekenen is, aangezien een blik over de partituur leert dat D majeur de overheersende toonsoort van het stuk is, en niet b mineur.
Sanctus
Het verhaal van de Mis in b begint feitelijk in 1724. Op Eerste Pinksterdag van het jaar ervoor was Johann Sebastian Bach (1685-1750) officieel in dienst getreden als cantor van de Thomaskerk in Leipzig. Hij moet toen grootse plannen hebben gehad voor de muzikale opluistering van de diensten in de beide hoofdkerken van de stad. Tot zijn vroegste kerkelijke werken uit zijn ambtstermijn in Leipzig behoren drie zettingen van het Sanctus. De eerste twee (nu gecatalogiseerd als BWV 237 en 238) zijn vierstemmige zettingen van de tekst. Het derde werk, dat voor de eerste keer op Eerste Kerstdag 1724 werd uitgevoerd, is voor een zesstemmig koor met instrumentale begeleiding geschreven en is onmiskenbaar een poging om Jesaja’s visioen van de hemelse engelenzang (zoals opgetekend in Jesaja 6:1-4) muzikaal te benaderen:
‘In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij. En de een riep de ander toe: Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol. En de dorpelposten beefden van het luide roepen en het huis werd vervuld met rook.’
Het zestal vleugels van de serafs nam Bach niet alleen als aanleiding om tot een zetting voor zesstemmig koor te komen, maar ook om een partituur samen te stellen waarin zes verschillende melodisch-ritmische lagen zijn te onderscheiden. De trage triolen in de bovenstemmen van het koor en de houtblazers creëren een extatische stemming. Over ‘Pleni sunt coeli et terra gloria tuam’ bouwt Bach een fuga die een stormachtig einde krijgt.
Missa
Het korte Sanctus vormt in zijn eentje de derde bundel (BWV 232/III) van de vier die samen de Mis in b vormen. Pas in 1733 kwam er een ‘vervolg’ op het Sanctus. Op 1 februari van dat jaar overleed de keurvorst Friedrich August I van Saksen en werd er een rouwperiode voor heel Saksen afgekondigd voor bijna een half jaar. In de achterliggende jaren had Bach geregeld conflicten gehad met de autoriteiten in Leipzig, onder meer omdat hem lucratieve nevenactiviteiten waren onthouden. In de hoop zijn positie in Leipzig te kunnen verstevigen, greep Bach de troonswissel aan om te solliciteren naar een benoeming tot hofcomponist in Dresden, de hoofdstad van Saksen tot welks rijksgebied Leipzig behoorde. Drie wereldlijke cantates van Bach – Hercules auf dem Scheidewege (BWV 213), Tönet, ihr Pauken, erschallet, Trompeten (BWV 214) en Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215) – staan direct in verband met deze open sollicitatie, aangezien deze drie cantates dienden ter opluistering van de verjaardagen in het nieuwe vorstenhuis in Dresden. Bachs officiële ‘sollicitatiedocument’ betrof een monumentale zetting van de eerste twee ordinariumteksten, Kyrie en Gloria, die de nieuwe keurvorst Friedrich August II in een begeleidend schrijven van Bach als een ‘geringe Arbeit von derjenigen Wißenschaft, welche ich in der Musique erlanget’ kreeg aangeboden. Kyrie en Gloria vormen nu samen de eerste bundel (BWV 232/I) van de Mis in b.
Het feit dat Bach zettingen van Kyrie en Gloria als proeve van bekwaamheid indiende en niet van alle ordinariumteksten, heeft in het verleden tot de gedachte geleid dat Bach zich tot de eerste twee teksten zou hebben beperkt, omdat de lutheraan Bach zich niet met de inhoud van het Credo – dat immers de frase over ‘unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam’ bevat – zou hebben kunnen verenigen. Binnen de lutherse confessie bestond er echter geen enkel bezwaar tegen deze frase, die niets anders behelst dan de verklaring te geloven in ‘een heilige algemene Kerk.’ De gedachte aan een gewetensbezwaarde Bach is mede in de hand gewerkt door de aanwezigheid van een viertal korte missen in Bachs oeuvre (BWV 233-236), die alle vier enkel zettingen van het Kyrie en het Gloria bevatten en die vanwege dat vermeende bezwaar in het verleden wel ‘Lutherse missen’ zijn genoemd. Onderzoek in de muziekbibliotheek van het hof in Dresden heeft echter aangetoond dat het ook aan het katholieke hof aldaar gangbaar was zich in miscompositie tot de eerste twee ordinariumteksten (die in de liturgie immers direct op elkaar volgen) te beperken. Met zijn Missa – zoals Bach de bundel met Kyrie en Gloria noemde – voegde Bach zich in 1733 dus naadloos in de gewone gang van zaken aan het Dresdner hof. Ook de vijfstemmige uitwerking voor het koor (met twee sopraanpartijen) is terug te voeren op een traditie in Dresden.
Aangezien Bach er met zijn Kyrie-Gloria-mis op uit moet zijn geweest Friedrich August II een demonstratie van zijn beste vermogens te bieden, ligt het voor de hand aan te nemen dat de compositie zg. parodieën (bewerkingen van eerdere composities) bevat, werken die Bach kennelijk zelf tot zijn meest geslaagde rekende. In twee gevallen bestaat hierover zekerheid: het Gratias agimus tibi (BWV 232/I,7) gaat terug op het koor Wir danken dir, Gott (BWV 29,2) uit de gelijknamige cantate die Bach in 1731 had gecomponeerd voor de wisseling van de stadsraad; het Qui tollis peccata mundi (BWV 232/I,9) betreft een bewerking van het openingskoor van de cantate Schauet doch und sehet ob irgend ein Schmerz sei (BWV 46,1) uit 1723. In andere gevallen wordt parodie vermoed, gezien het geringe aantal correcties in Bachs autograaf, al mag het anderzijds worden betwijfeld als we ons realiseren hoe nauw tekst en muziek geregeld met elkaar samenhangen. De plechtige openingsmaten van het eerste Kyrie (BWV 232/I,1) betreffen een expressieve harmonisering van de liturgische melodie waarop in het gregoriaans het Kyrie wordt gereciteerd. De melodie die het orkest daarna inzet en die het thema voor de koorfuga zal worden, is direct daarvan afgeleid. Dit maakt het onwaarschijnlijk dat deze muziek ooit met een andere tekst gecombineerd is geweest. Dit geldt in nog sterkere mate voor het tweede Kyrie (BWV 232/I,3). De algemene indruk van dit deel is dat Bach zich hier van stile antico (de barokke imitatie van zestiende-eeuwse kerkmuziek) bedient, ware het niet dat in de kop van het fugathema op het woord ‘Kyrie’ op de tweede lettergreep de verlaagde tweede toon van de toonladder klinkt, die het karakteristieke bestanddeel is van de in Bachs dagen hypermoderne ‘Napelse’ harmonie (zoals die bijvoorbeeld in Pergolesi’s Stabat mater te beluisteren is). Er moet voor Bach natuurlijk een reden zijn geweest deze stilistische uitersten in één thema samen te brengen. In mijn proefschrift (Göttliche Liebes=Flamme. De lutherse leer van de Heilige Geest en haar invloed op Johann Sebastian Bach) heb ik de stelling geponeerd dat deze zonderlinge combinatie op zinnige wijze kan worden verklaard vanuit het gezichtspunt van Paulus’ woorden in Romeinen 8:26: ‘de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.’ Deze woorden vormen het middelpunt van de lutherse theologie over de Heilige Geest in de zestiende tot en met de achttiende eeuw. In de dramatische harmonie op het woord ‘Kyrie’, dat qua intensiteit zo contrasteert met de gelijkmatige stile antico op ‘eleison’, heeft Bach kennelijk getracht uitdrukking te geven aan het onuitsprekelijke, bovenmenselijke karakter van de voorbede van de Geest in het hart van de gelovige mens, zoals dit in de theologische literatuur in Bachs persoonlijke bibliotheek geregeld is beschreven.
Symbolum Nicenum
De sollicitatie in Dresden leek aanvankelijk op niets uit te lopen, maar toen Bach na drie jaar geduld te hebben geoefend eens navraag deed, werd de zaak snel geregeld en kreeg hij de begeerde titel. Dit bood hem ondermeer toegang tot de omvangrijke muziekbibliotheek van het hof, die rijkelijk voorzien was van de partituren van zestiende-eeuwse missen en motetten. Bach heeft altijd een grote belangstelling voor dit repertoire gehad en hij greep de mogelijkheid dan ook aan om werken uit deze bibliotheek – waaronder de Missa canonica van Francesco Gasparini, waarvan Bachs afschrift voorjaar 2013 in Weissenfels werd teruggevonden – voor persoonlijke studie te kopiëren. Mogelijk heeft de geïntensiveerde omgang met de oude muziek Bach ook op het idee gebracht de resterende ordinariumteksten Credo (door Bach Symbolum Nicenum genoemd, d.w.z. de geloofsbelijdenis zoals opgesteld tijdens het concilie in Nicea in 325, aangevuld met enkele regels over m.n. de Heilige Geest tijdens het concilie van Constantinopel in 381) en Benedictus te gaan toonzetten om zo tot een complete mis te komen. Wanneer en onder welke omstandigheden deze gedachte bij hem is opgekomen onttrekt zich aan onze waarneming, maar algemeen wordt gedacht aan de jaren 1740.
Bachs fascinatie voor de oude muziek laat zich het best beluisteren in de koorpartij van het openingsgedeelte van het Credo. Ook het Crucifixus (BWV 232/II,5) en het Confiteor (BWV 232/II,8) dragen de kenmerken van stile antico. Ook voor het Symbolum Nicenum geldt dat er meerdere delen zijn geparodieerd. Zo gaat het Crucifixus terug op het openingskoor van de cantate Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen (BWV 12,2), dat van 1714 dateert. Wat met zekerheid een nieuwe compositie is, is het voorgaande Et incarnatus est, dat Bach in 1749 inlaste en dat waarschijnlijk Bachs laatste werk aan de Mis in b betreft.
Het is vooral in de toonzetting van de geloofsbelijdenis waar we muzikale symbolieken voor de theologische inhouden tegenkomen, die aantonen dat Bach een diep theologisch begrip moet hebben gehad. Sommige zijn evident, zoals de dalende melodielijnen in het Et incarnatus est, die duiden op Christus’ neerdaling naar de aarde bij Zijn incarnatie. Voor het ritornello aan het begin van Et in Spiritum sanctum (BWV 232/II,7) met twee oboi d’amore zijn echter tal van verklaringen geboden. In het eerder genoemde proefschrift heb ik uitgewerkt dat de verklaring voor Bachs opmerkelijke ritornello (waarin beide oboi zelfs maten lang unisono spelen) waarschijnlijk moet worden gezocht in de Drie-eenheidleer van Aurelius Augustinus, die de Geest beschrijft als de Liefdeband (de vinculum amoris) tussen de Vader en de Zoon.
Osanna, Benedictus, Agnus Dei en Dona nobis pacem
De afsluitende vierde bundel, die ook in de jaren 1740 moet zijn gecompileerd, bestaat in zijn geheel uit drie parodieën – zo betreft het Agnus Dei een overname uit het Himmelfahrts-Oratorium (BWV 11) – en een overname: het afsluitende Dona nobis pacem is een herhaling van het Gratias agimus tibi uit het Gloria. Er zijn aanwijzingen dat de voltooiing van de Mis in b in 1749 is ingegeven door een plan tot uitvoering van het geheel. Of die uitvoering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is onbekend.
Sinds de uitvoeringen van (delen van) de Mis in b vanaf 1811 door de Berliner Singakademie heeft Bachs Mis in b meer en meer de status gekregen van Bachs magnum opus gekregen. Tegenwoordig is dit monumentale werk niet meer weg te denken uit ons muziekleven en vanmiddag genieten wij het voorrecht dit werk, waarin muzikale rijkdom en theologische diepzinnigheid op zeldzame wijze hand in hand gaan, in zijn geheel te mogen beluisteren.
Marcel Zwitser
Uitvoerenden
Aapo Häkkinen
Als koorzanger in de kathedraal van Helsinki kreeg Aapo Häkkinen zijn eerste muzikale opleiding. Vanaf zijn dertiende studeerde hij klavecimbel bij Elina Mustonen en orgel bij Olli Porthan aan de Sibelius Academie. Hij vervolgde zijn lessen bij Bob van Asperen aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam (1995-1998) en bij Pierre Hantaï in Parijs (1996-2000) en kreeg ondersteuning van Gustav Leonhardt. Met zijn diploma in 1998 net op zak, won hij de tweede prijs en de prijs van de VRT bij het Klavecimbelconcours in Brugge. Al in 1997 kreeg hij de speciale Musikpreis van de Norddeutsche Rundfunk voor zijn interpretatie van Italiaanse muziek. Aapo Häkkinen trad als solist en dirigent op in de meeste landen van Europa, in Turkije, Israël, Japan, China, Korea, Vietnam, de Verenigde Staten, Brazilië en Mexico. Hij verschijnt dikwijls op radio en televisie en heeft zijn eigen programma op Classic FM in Finland. Hij bespeelt, naast het klavecimbel, met regelmaat het orgel, het klavichord en de fortepiano. Häkkinen doceert aan de Sibelius Academie en geeft internationaal masterclasses. Sinds 2003 is hij artistiek leider van het Helsinki Baroque Orchestra.
Carolyn Sampson
De Engelse sopraan Carolyn Sampson studeerde aan de universiteit van Birmingham en debuteerde als Amore in Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea bij English National Opera, waar ze ook te zien was in de titelrol van Händels Semele en als Pamina (Die Zauberflöte). Ze zong Anne Truelove (Stravinsky’s The Rake’s Progress) en Mélisande (Debussy’s Pelléas et Mélisande) bij Scottish Opera en stond onder dirigent William Christie in Purcells The Fairy Queen in Glyndebourne. Als concertzangeres was ze onder meer te zien tijdens de BBC Proms en werkte ze met orkesten als het Orchestra of the Age of Enlightenment, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Koninklijk Concertgebouworkest en het Mozarteumorchester Salzburg. Sampson maakte meerdere cd-opnamen, onder meer met haar vaste pianist Joseph Middleton, met wie ze ook in de Kleine Zaal van het Concertgebouw stond met o.a. ‘A Soprano’s Schubertiade’ – en werkte met dirigenten als sir Mark Elder, Ivor Bolton, Riccardo Chailly, Philippe Herreweghe, Andris Nelsons, Yannick Nézet-Séguin, Louis Langrée en Trevor Pinnock.
Eerder in de Matinee: Brahms Ein deutsches Requiem (2012)
Sophie Junker
De Belgische sopraan Sophie Junker studeerde in België en Londen en brak internationaal door na het winnen van de Londense Handel Singing Competition. Sindsdien vertolkte ze rollen als Sigismondo (Arminio) tijdens de Internationale Händel-Festspiele Göttingen, Cunegonda (Vinci’s Gismondo) in het Theater an der Wien, Drusilla/Virtu in L’incoronazione di Poppea in de Staatsoper Berlin, en Venere (Legrenzi’s La divisione del mondo) in de Opéra national de Lorraine in Nancy. Bij de Opera Royal de Wallonie-Liège was ze te zien als Wanda in Offenbachs La Grande-duchesse de Gérolstein, in de titelrol van Pauline Viardots Cendrillon en als Elisetta in Cimarosa’s Il matrimonio segreto. Ze vertolkte de rol van Belinda (Purcells Dido and Aeneas) tijdens de Innsbrucker Festwochen der Alten Musik en trad aan in Lully’s Grands motets met het Choeur de Chambre de Namur onder dirigent Leonardo García Alarcón. Met het Groot Omroepkoor stond ze in Faurés Requiem in het Concertgebouw, en ze zong Bachcantates met het Dunedin Consort tijdens het Edinburgh International Festival.
Benno Schachtner
Countertenor Benno Schachtner studeerde aan de Hochschule für Musik in Detmold en de Schola Cantorum Basiliensis. Hij vertolkte de titelrol in Händels Orlando in het Landestheater Detmold, was Prinz Medoro in Triumph der Liebe (op muziek van Bach) in Theater Erfurt, en stond in de veelgeprezen King Arthur-productie van de Staatsoper Berlin; hij keerde er terug voor Cavalli’s Rappresentazione di Anima et di Corpo. Hij zong de titelrol in Händels Sosarme, re di Media in de Oper Halle en tijdens de Händel-Festspiele aldaar, Akhnaten in de gelijknamige opera van Philip Glass in Theater Bonn en Arcane in Händels Teseo in Theater an der Wien. Op zijn repertoire staan tevens werken als de Matthäus- en de Johannes-Passion; bij De Nationale Opera was hij te zien in een bewerking van de Johannes. Schachtner werkte met dirigenten als Christoph Spering, René Jacobs en Václav Luks en is sinds 2016 ook actief als docent, onder meer aan de Hochschule für Künste in Bremen.
Eerder in de Matinee: A. Scarlatti Cain ovvero Il primo omicidio (2019)
Andrew Staples
Tenor Andrew Staples zong al jong in het befaamde koor van St Paul’s Cathedral en studeerde zang aan het Royal College of Music in Londen. Hij is een veelgevraagd concert- en operazanger, en trad aan met orkesten als de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Orchestre de Paris, het London Symphony Orchestra, de New York Philharmonic, de Staatskapelle Berlin en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij debuteerde in Royal Opera House Covent Garden als Jacquino in Beethovens Fidelio en keerde er terug voor rollen als Tamino (Die Zauberflöte), Froh (Das Rheingold), Flamand (Capriccio, concertant) en Tichon Ivanycˇ Kabanov in Kat’a Kabanová. Hij zong Jonathan in Händels Saul in Theater an der Wien, Andres in de beroemde William Kentridge-productie van Bergs Wozzeck in de New Yorkse Met, Don Ottavio (Don Giovanni) tijdens de Salzburger Festspiele, en Faust (Berlioz’ La damnation de Faust) in de New Zealand Opera. Staples werkte met dirigenten als Sir Simon Rattle, Yannick Nézet-Séguin en Emmanuelle Haïm.
Krešimir Strazanac
De Kroatische bas-bariton Krešimir Stražanac studeerde aan het Conservatorium van Stuttgart en trad na zijn studie toe tot het ensemble van Opernhaus Zürich, waar hij te zien was in rollen als Ping in Turandot, Don Fernando in Fidelio en Yamadori in Madama Butterfly. Hij debuteerde in de Bayerische Staatsoper als Pietro Fléville in Giordano’s Andrea Chénier en in de Oper Frankfurt als Baron Tusenbach in Péter Eötvös’ Tri Sestri, een rol die hij ook vertolkte in Zürich. Hij is vooral zeer actief als concert-, Lied- en oratoriumzanger; zo nam hij de aria’s en de Pilatuspartij op zich in de Johannes-Passionmet de Bayerische Rundfunk en Concerto Köln, zong Bach-cantates met het WDR-Sinfonieorchester, Schönbergs Ein Überlebender aus Warschau en Brahms’ Requiem met het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra, en deelde het podium met orkesten en ensembles als de Staatskapelle Halle, Collegium Vocale Gent, het Münchener Rundfunkorchester en het Koninklijk Concertgebouworkest. Stražanac werkte met dirigenten als Franz Welser-Möst, Helmuth Rilling en Bernard Haitink.
Eerder in de Matinee: Wagner Die Meistersinger von Nürnberg (Konrad Nachtigall, 2009), Stradella San Giovanni Battista (2020)
Cornelius Uhle
De Duitse bariton Cornelius Uhle zong als kind in het Dresdner Kreuzchor, het beroemde jongenskoor van de Kreuzkirche in Dresden, en vertolkte als jongenssopraan al vroeg solopartijen. Hij studeerde aan de Hochschule für Musik Carl Maria von Weber in diezelfde stad, en maakte zijn debuut als Figaro tijdens de Lausitzer Opernsommer. Hij zong de titelrol in Wilfried Krätzschmars Schlüsseloper, Papageno in Mozarts Die Zauberflöte, en de rol van Orpheus in Orpheus in der Unterhose, eine Crossoper nach Gluck und Offenbach bij de Serkowitzer Volksoper, waar hij ook te zien was in producties als Die Entführung auf dem Jahrmarkt en Die Beethoven-Lüge, eine Verschwörungsoper. Uhle is ook als concertzanger actief, waarbij hij een voorliefde heeft voor oratoria en Lieder; op zijn repertoire staan onder meer Hasses Miserere in c en Ristori’s Litaniae de Sancto Xaverio.
Kristen Witmer
De Amerikaans-Koreaanse sopraan Kristen Witmer is geboren en getogen in Japan en studeerde Universiteit voor de Kunsten in Tokio. Zij behaalde haar master Oude Muziek aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Zij richt zich vooral op de opera, het oratorium, kerkmuziek en werken voor vocaal ensemble uit de barokperiode. Witmer trad op met dirigenten als Frans Brüggen, Philippe Herreweghe, Masaaki Suzuki, Joshua Rifkin en Jos van Veldhoven en werkte samen met ensembles als Collegium Vocale Gent, de Nederlandse Bachvereniging, het Bach Collegium Japan, Holland Baroque, Vox Luminis, La Fenice en Il Gardellino. We konden haar horen op muziekfestivals als het Festival Oude Muziek in Utrecht, de Salzburger Festspiele, het Berkeley Festival, het Boston Early Music Festival, het Festival de Saintes en het Tbilisi Baroque Festival. Kristen Witmer zong recentelijk onder andere de rol van Euridice in Monteverdi’s L’Orfeo bij de Nederlandse Reisopera en Bach-cantates met Vox Luminis.
Lauren Armishaw
Sopraan Lauren Armishaw studeerde muziek en wiskunde in haar geboorteland Nieuw-Zeeland. In 2002 verhuisde zij naar Nederland om zang en historische uitvoeringspraktijk te studeren aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Armishaw treedt op in Europa en Nieuw-Zeeland en werkte samen met de Nederlandse Bachvereniging, het Nederlands Kamerkoor, het New Zealand Baroque Orchestra, L’Arpeggiata (Frankrijk), Les Inventions (Frankrijk) en Les Muffatti (België). Op haar palmares staan rollen als Laodice in Siroe (Händel), Susanna in Le nozze di Figaro (Mozart), Venere in Ercole amante (Cavalli) en Amor Celeste in La Maddalena a piedi di Cristo (Bononcini). Met Opera2Day en Vox Luminis vertolkte zij de rol van Maria Stuarda in de theater-/operaproductie Dolhuis Kermis. Lauren Armishaw was in 2008 finaliste in de concoursen Musica Sacra in Rome en Canto Barocco in Napels. Ze was een van de laureaten van de Nederlandse Vocalisten Presentatie 2009. Zij treedt op met haar eigen trio Lacrime Amorose (sopraan/harp/theorbe) en het ensemble deJongdeJong+ (harmoniums/vocalisten).
Jennifer Gleinig
De Duitse mezzosopraan Jennifer Gleinig studeerde in Berlijn, Lyon en Leipzig bij Christine Schäfer, Júlia Várady, Britta Schwarz en Monique Zanetti. Nadat haar werk werd bekroond met het Deutschlandstipendium des Bundesministeriums für Forschung und Bildung en de Yehudi Menuhin Foundation Live Music Now trad zij op bij de Händel-Festspiele Halle (Pulcheria in Händels Riccardo I, 2014) en het Alte Musik Fest Leipzig (Graupner-cantates, 2018). Bij de de Salzburger Festspiele van 2019 zong Gleinig in Dusapins Medeathe. Zij trad bovendien op in de Philharmonie van Berlijn, de Komische Oper in Berlijn, de Opéra de Lyon en de Koningin Elisabethzaal in Antwerpen (Holligers Siebengesang, 2017). Haar repertoire reikt van de vroege barok tot het moderne repertoire. Zij werkte samen met ensembles als de Academie für Alte Musik Berlin, de Lautten Compagney Berlin, het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin en de Gaechinger Cantorey Stuttgart, en met dirigenten als Hannu Lintu, Helmuth Rilling, Heinz Holliger, Wolfgang Katschner en Hans-Christoph Rademann.
Hugo Hymas
De in het Engelse Cambridge geboren tenor Hugo Hymas begon zijn carrière in het jongenskoor van de Great St. Mary’s Church en het koor van Clare College Cambridge. Hij studeerde muziek aan Durham University en zong Purcell en Händel met het Freiburger Barockorchester onder Kristian Bezuidenhout, Händels Messiah met The English Concert onder Harry Bicket, Uriel in Haydns Schöpfung met Les Arts Florissants onder William Christie en Bachs Weihnachtsoratorium met Andreas Spering en Kent Nagano. Zijn operarollen: Septimius in Händels Theodora, Jupiter in Händels Semele en Indian Boy en Fame in Purcells The Indian Queen (onder Emmanuelle Haïm), en Monteverdi’s Il combattimento di Tancredi e Clorinda, Purcells Dido and Aeneas en Händels Acis and Galatea. In 2017 zong hij Monteverdi tijdens een tournee met de English Baroque Soloists (Il ritorno d’Ulisse in patria, L’incoronazione di Poppea en L’Orfeo). Daarnaast is Hymas liedzanger en werkt hij al geruime tijd samen met het Orchestra of the Age of Enlightenment.
Helsinki Baroque Orchestra
Sinds twintig jaar speelt het Helsinki Baroque Orchestra ‘herpremières’ van niet gepubliceerde of gereconstrueerde meesterwerken, of werpt nieuw licht op bekender, dikwijls Duits of Baltisch repertoire. Het maakte aan het thuisfront furore met operaproducties van Monteverdi, Händel, Hasse en Koželuch en heeft sinds 2011 een maandelijkse serie in het Musiikkitalo in de Finse hoofdstad. Solisten en gastdirigenten als Max Emanuel Cencic, Franco Fagioli, Reinhard Goebel, Werner Güra, Erich Höbarth, René Jacobs, Sophie Karthäuser, Julia Lezhneva, Riccardo Minasi, Enrico Onofri, Sonia Prina, Valer Sabadus, Carolyn Sampson, Skip Sempé, Dmitry Sinkovsky en Andrew Staples keren met regelmaat bij het orkest terug. Het Helsinki Baroque Orchestra begeesterde bovendien luisteraars in de Philharmonie in Keulen, Suntory Hall in Tokio en het Concertgebouw in Amsterdam, en bij festivals in Bergen, Bremen, Rheingau en Jeruzalem. Het voelt zich evenzeer thuis in meer intieme locaties, en heeft zijn eigen midzomerfestival in het idyllische, uit steen opgetrokken middeleeuwse kerkje van Janakkala.
Orkestbezetting
Dirigent
Vasily Petrenko
Eerste viool
Joris van Rijn
Dimiter Tchernookov
Alexander Baev
Fred Gaasterland
Roswitha Devrient
Maria del Mar Escarabajal Baadenhuijsen
Mariska Godwaldt
Josje ter Haar
Masha Iakovleva
Kerstin Kendler
Leonie Mensink
Pedja Milosavljevic
Stella Zake
Philip Dingenen
Iina Laasio
Ana Nedobora Ivanova
Tweede viool
Casper Bleumers
Matthijs van der Wel
Sarah Loerkens
Esther de Bruijn
Esther Kövy
Dana Mihailescu
Renate van Riel
Alexander van den Tol
Nika Toskan
Nina de Waal
Casper Donker
Anne van Eck
Romina Engel
Hannah Solveig Gramss
Altviool
Francien Schatborn
Huub Beckers
Arjan Wildschut
Sabine Duch
Marije Helder
Annemijn den Herder
Annemarie Konijnenburg
Javier Rodas Sanchez
Lotte de Vries
Ewa Wagner
Francesca Wiersma
Lorenzo Titolo Duchini
Cello
Michael Stirling
Eveline Kraayenhof
Harm Bakker
Winnyfred Beldman
Mirjam Bosma
Crit Coenegracht
Anneke Janssen
Ansfried Plat
Rebecca Smit
Arjen Uittenbogaard
Contrabas
Wilmar de Visser
Servaas Jessen
Annika Pigorsch
Jim Schultz
Sjeng Schupp
Ella Stenstedt
Stephan Wienjus
Eduard Zlatkin
Fluit
Ingrid Geerlings
Maike Grobbenhaar
Susana Lopes Ferreira
Luna Vigni
Wendy Vo Cong Tri
Erica Vogel
Hobo
Hans Wolters
Yvonne Wolters
Gerard van Andel
Victoria Torres Restrepo
Klarinet
Frank van den Brink
Arjan Woudenberg
Esther Misbeek
Diede Brantjes
Sergio Hamerslag
Marco Danesi
Fagot
Hajime Konoe
Jos Lammerse
Birgit Strahl
Marlene Schwärzler
Hoorn
Toine Martens
Fréderick Franssen
Margreet Mulder
Rebecca Grannetia
Sander van Dijk
Amy Geurtjens
Camiel Lemmens
Laurens Otto
Trompet
Hans van Loenen
Raymond Rook
Johan Verheij
Bob Koertshuis
Trombone
Niels Jacobs
Tim Ouwejan
Pelle van Esch
Tuba
Bernard Beniers
Ries Schellekens
Pauken
Paul Jussen
Mark Haeldermans
Slagwerk
Hans Zonderop
Vincent Cox
Esther Doornink
Goncalo Dias Martins
Jennifer Heins
René Oussoren
Arjan Roos
Harp
Veronique Serpenti
Marianne Smit
Piano & celesta
Stephan Kiefer
Celesta
Celia Garcia – Garcia
Gerelateerde concerten
Steun
Word Vriend van de Matinee
Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee
Word Vriend of Genoot van de Matinee
Blijf op de hoogte!
Meld je aan voor de nieuwsbrief.