Video overzicht

Vox Luminis
Kerst met Vox Luminis

  • zaterdag 24 december 2022
  • Vox Luminis o.l.v. Lionel Meunier

Een magnificat als alpha, een magnificat als omega

Het magnificat, de lofzang van Maria, markeert begin en slot van dit concert. Hoeveel magnificats in de loop van de eeuwen geschreven zijn is niet te becijferen, maar het moeten er duizenden zijn. Logisch, omdat de lofzang van Maria een belangrijke plaats inneemt in de vespers. Als voorlaatste onderdeel van het officie, de dagelijkse gebedencyclus die monniken elke dag doorlopen, vormt het vaak het luisterrijke hoogtepunt van die vesperdienst. De tekst stamt uit Lucas 1:46-55. Daarin beantwoordt Maria de begroeting van Elisabeth, moeder van Johannes de Doper, met een lofzang op God. Zijn naam dankt de lofzang aan de aanhef ‘Magnificat anima mea Dominum – Mijn ziel maakt groot de Heer’.Dramatische frases als ‘Hij heeft hoogmoedigen uiteen gedreven / Heersers heeft hij van hun troon gestoten en nederigen verheven’ bieden uitgelezen mogelijkheden voor een levendige tekst- schildering. Waarna de tekst besluit met de kleine doxologie, de lofprijzing aan het adres van de Drie-eenheid, met de toevoeging: ‘Zoals het was in het begin, en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.’ Na een langdurige loopbaan in het gregoriaans ontwikkelde het magnificat zich in de vijftiende en zestiende eeuw tot de meest polyfoon gezette tekst, op het ordinarium na (de vaste Misteksten als Kyrie, Gloria etc.). Heinrich Schütz schreef er zes in totaal. Vijf in de Duitse vertaling van Luther, Meine Seele erhebt den Herren, waarvan er overigens twee verloren gingen. En eentje in het Latijn, het Magnificat dat vandaag de spits afbijt.

Schütz’ Magnificat

Traditiegetrouw wordt Schütz beschouwd als een van de drie S’en uit de vroege barok, samen met Samuel Scheidt en Johann Hermann Schein. Drie grote namen die tijdens die zeventiende eeuw de Duitse barokmuziek mede vorm hebben gegeven. Ze worden alle drie geboren in de jaren tachtig van de zestiende eeuw, Schütz exact een eeuw vóór Johann Sebastian Bach. Hij krijgt zijn vorming voornamelijk in Kassel. Maar in 1609 vinden we hem in Venetië waar hij studeert bij Giovanni Gabrieli en kennismaakt met het Italiaanse virtuoze idioom. Én met de monumentale muziekstijl in de San Marco, met zijn beroemde dubbelkorigheid. Als Schütz terugkeert is hij aanvankelijk weer werkzaam in Kassel, maar dan biedt de keurvorst van Dresden hem een contract aan. Hij zal er het grootste deel van zijn leven verblijven – enkele kortere oponthouden elders uitgezonderd, waaronder Italië (1628-1629) en Denemarken (1634 en 1642-1634). Daarnaast onderhoudt hij ook professionele contacten met Hildesheim en Hannover. Ook al domineert in de protestantse delen van Duitsland de volkstaal in de sacrale muziek, Schütz verklankt ook Latijnse teksten, zoals het motet O bone Jesu laat horen. Én dus het Magnificat. In dat laatste werk trekt Schütz alle registers open om de tekst muzikaal te illustreren. Zo hoor je bij het ‘Dispersit superbos’ (‘Hij heeft hoogmoedigen uiteengedreven’) snelle notenwaarden, afgevuurd als mitrailleursalvo’s. Bij het ‘Deposuit potentes’ (‘Heersers heeft hij van hun troon gestoten’) overheersen dalende lijnen, bij het ‘Exaltavit humiles’ (‘Nederigen heeft hij verheven’) stijgende. En wanneer al eerder in de zinsnede ‘Ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes’ klinkt, illustreert Schütz dat ‘beatam me dicent’ (‘Zullen mij voortaan gelukkig prijzen’) met een serene, homofoon gezette passage.

De Weihnachtshistorie

Hoezeer de Italiaanse stijl het werk van Schütz beïnvloedt, is duidelijk te beluisteren in zijn Weihnachtshistorie. Om het even of het gaat om de recitatieven, of om de virtuoze benadering van bepaalde passages, zoals bijvoorbeeld het intermedium waarin de Engel Jozef aanspreekt: ‘Stehe auf, Joseph’, of de tekstschildering, bijvoorbeeld de chromatiek op ‘Weinens’ in het recitatief ‘Und er stund auf und nahm das Kindlein’. Niet voor niets merkte de componist zelfbewust op dat dit de eerste uitgave is in Stylo recitativo, die “bisshero in Teutschland […] in Druck noch nie’ erschienen sei”. Het moet een laat werk zijn geweest, waarschijn­lijk voor de kerstviering van 1660, uit te voeren in de kapel van Johann Georg II, de keurvorst van Saksen. Schütz’ Weihnachts­historie is gebaseerd op de Lutherse vertaling van de Evangelieteksten van Lucas 2:1-21 en Matteüs 2:1-23, en bestaat uit acht intermedia die afgewisseld worden met recitatieven. Het werk werd – deels – gepubliceerd in 1664, te weten enkel de recitatieven van de Evangelist. De rest circuleerde in handschriften, en Schütz geeft aan dat de ontbrekende delen konden worden verkregen bij de Thomaskantor in Leipzig of de organist van de Dresdner Kreuzkirche. Al werkte hij in een protestantse omgeving, Schütz verbond moeiteloos elementen uit het in zijn contreien beleden geloof met het Italiaanse katholicisme. Dat land, met zijn (kerk)muzikale traditie, beschouwde hij bovendien als “het echte universum van muziek”. Vandaar dat hij tal van Latijnse teksten op muziek zette, zoals we al zagen bij het Magnificat. Ook O bone Jesu behoort tot deze categorie. Het is een concerto; in Italië werden de gregoriaanse antifonen die de vesperpsalmen omlijstten vaker vervangen door zulke composities waarin de verstaanbaarheid op de eerste plaats komt en de solo-stem(men) vaker ruimte krijgen voor virtuoze omspelingen. De italianità is in Schütz’ compositie overduidelijk aanwezig: al in de eerste maten herken je de stijl van Monteverdi, die Schütz ontmoette tijdens zijn tweede Italiaanse reis.

Andreas Hammerschmidt, in zijn tijd ‘weltberühmt’

Over Andreas Hammerschmidt is bijzonder weinig bekend; om te beginnen zijn de kerkregisters van de protestantse gemeenschap in zijn geboorteplaats verloren gegaan. Hij moet een grote reputatie gehad hebben, afgaande op de gedrukte muziekbronnen en tal van loftuitingen. Dichter Johann Rist verwijst naar hem als ‘weltberühmt’. Heinrich Schütz was ook zeer over Hammerschmidt te spreken, getuige de lofprijzing van zijn hand. Geboren in 1611 of 1612 in het Boheemse Brüx (tegenwoordig Most in Tsjechië) verkaste Hammerschmidt al op jonge leeftijd naar het Saksische Freiberg, ten gevolge van de Dertigjarige Oorlog. Zijn ouders waren immers protestants, en toen Bohemen weer katholiek werd besloot zijn vader zijn heil elders te zoeken. Gegevens over Andreas’ opleiding zijn schaars. Waarschijnlijk is hij in de leer geweest bij een van de in Freiberg werkzame musici; in die context worden verscheidene namen genoemd. Zijn eerste aanstelling verwierf de jonge Hammerschmidt in 1635, als organist in die stad. Hij zou er twee jaar later ook trouwen. Weer twee jaar later volgde zijn aanstelling als organist van de Johannekerk in Zittau. Daarna was hij 35 jaar in dienst van die stad, en hij componeerde er het leeuwendeel van zijn oeuvre. Helaas was het lot Zittau slecht gezind: tijdens de Zevenjarige Oorlog stichtte het Oostenrijkse leger brand waardoor veel handschriften en andere documenten verloren gingen. Maar wat we wél weten: tijdens een bezoek aan Dresden heeft Hammerschmidt werken van Schütz en Italiaanse musici gehoord. Ook zou hij contact hebben onderhouden met Johann Rosenmüller in Leipzig. Zijn roem als organist – en dientengevolge het bijna-monopolie dat hij moet hebben genoten – wordt gedocumenteerd door de Görlitzer organist Johann Heigius. Die verwijt “de bekende Hammerschmidt in Zittau, die toch rijk is” dat hij het niemand anders toestaat zich met het orgel te bemoeien. In 1675 sterft Hammerschmidt en zijn grafsteen duidt hem aan als de ‘Orpheus van Zittau’. Orgelwerken zijn niet overgeleverd, vocale composities des te meer. Er zijn liederen, madrigalen en daarnaast veertien delen met geestelijke werken, een slordige vierhonderd in aantal. Vanaf 1639 verschenen vijf delen Musicalische Andachten. In de in 1646 en 1652 gepubliceerde Vierter en Fünffter Theil vinden we de vandaag ten gehore gebrachte werken; Freude, Freude grosse Freude zesstemmig, de andere twee achtstemmig. Niet ten onrechte is opgemerkt dat Hammerschmidt in deze motetten duidelijk laat horen hoezeer hij beïnvloed is door het Italiaanse madrigaal; een aantal werken wordt ook betiteld als geestelijke madrigalen. Wie hem daarnaast inspireerde? Dat is te lezen in het voorwoord van de vijfde bundel. Daarin verwijst Hammerschmidt naar Schütz’ Geistliche Chor-Musikuit 1648. De waardering is overigens wederzijds, want de oude meester ondertekent het voorwoord van deze collectie genereus: “Aus guter Affection und Freundschafft gestellet von Heinrich Schütßen”. Deze voorkeur voor het madrigaleske, met meerstemmigheid en dansante invloed, klinkt het sterkst door in Freude, Freude grosse Freude. Naast de meer polyfoon gedachte madrigalen belijdt Hammerschmidt in het voorwoord van de vijfde bundel ook zijn liefde voor het moderne Italiaanse concerto. Dit omdat dit genre, met zijn beter verstaanbare tekst, de hoogste lof verdient: “Niet alleen omdat daarin zangers de tekst duidelijk en helder verstaanbaarder maken, maar ook omdat hun zoetheid gewoonlijk een bijzondere devotie oproept bij de luisteraar.” Echo’s van deze concertante stijl zijn te horen in Ehre sei Gott in der Höhe, hoewel dat anderzijds ook de typische imitatorische technieken van de oudere stijl laat horen.

Rosenmüller, voorbeeld voor Bach

Of Andreas Hammerschmidt een kort lontje heeft gehad is niet eenduidig vast te stellen. Het lijkt echter wel gesuggereerd te worden door de mare dat hij in een kroeg eens behoorlijk herrie schopte en dat hij gevochten zou hebben met Johann Rosenmüller. Rosenmüller, acht jaar jonger dan Hammerschmidt, werd geboren in het Saksische Oelsnitz. Na een studie aan de Universität Leipzig werd hij in 1651 aangesteld als organist van de Nikolaikirche in die stad. Hij was veelzijdig, werkte zich op tot Kantor, maar moest in 1655 het veld ruimen toen hij in opspraak kwam wegens homoseksualiteit. Bij dat schandaal bleken jongetjes betrokken te zijn en het liep uit op een veroordeling. Rosenmüller wist echter te ontsnappen en nam de benen naar Italië, Venetië om preciezer te zijn. Aanvankelijk was hij daar trom­bonist, maar hij schopte het tot organist van de vermaarde San Marco. Daarnaast was hij tussen 1678 en 1682 verbonden aan het Ospedale della Pietà, een van de opvanghuizen voor wezen en alleenstaande moeders. Muziek nam er een belangrijke plaats in – Antonio Vivaldi zou vanaf 1703 in ditzelfde Ospedale werkzaam zijn. In 1682 keerde Rosenmüller terug naar Duitsland, waar hij als koorleider actief was aan het hof van Brunswick-Wolfenbüttel. In deze laatste plaats overleed hij en werd hij begraven. Door zijn Italiaanse achtergrond alsmede zijn kennis van Schütz’ oeuvre was ook hij iemand die een fusie kon bewerkstelligen tussen de Italiaanse concertante stijl en de Duitse polyfone muziektraditie. Zijn faam wordt geïllustreerd door het feit dat Rosenmüllers Welt ade, ich bin dein müde later door Bach geciteerd zou worden in een koraal van Cantate BWV 27. Het Magnificat dat het concert van vandaag besluit is een tour de force. Met niet minder dan achttien stemmen bereidt Rosenmüller op meesterlijke – en dubbelkorige – wijze eer aan God. Ook bij hem veel aandacht voor tekstschildering. Zo zet hij het woord ‘omnes’ (alle) kracht bij door daar de tutti te laten klinken, horen we bij ‘misericordia’ (barmhartigheid) klagende halve-toons­afstanden, stijgende figuren bij ‘exaltavit’ (verheven) en sluit het Magnificat af met een grootse fuga over ‘Sicut erat in principio’. Daarmee zet Rosenmüller niet alleen een klinkende punt achter dit concert, maar bevestigt hij ook zijn roem als ‘Alpha & Omega Musicorum’.

Frits de Haen

Uitvoerenden

Vox Luminis

Sinds de oprichting in 2004 wordt Vox Luminis, onder leiding van de bas Lionel Meunier, internationaal geprezen om haar unieke sound, zowel in solistische bezetting als in grotere producties. Vox Luminis is gespecialiseerd in Engels, Italiaans en Duits repertoire uit de zeventiende en vroege achttiende eeuw en brengt niet alleen virtuoze meesterwerken, maar ook onuitgegeven parels opnieuw tot leven. Een kern van vocale solisten wordt, naargelang het repertoire, aangevuld met een uitgebreid continuo, solo-instrumenten of een volledig orkest. In 2012 won Vox Luminis van de prestigieuze Gramophone Awards de ‘Recording of the Year’. Intussen maakte Vox Luminis zestien opnamen bij de labels Ricercar, Alpha Classics, Ramée en Musique en Wallonie en sleepte het talrijke internationale prijzen in de wacht, waaronder ‘Klara ensemble van het jaar 2018’, BBC Music Magazine ‘choral award 2018’, drie Diapasons d’Or, Caecilia Prijs 2020 en meerdere keren de Preis der Deutschen Schalplattenkritik. In 2019 kreeg het ensemble opnieuw een Gramophone Music Award in de categorie ‘Choral’ voor de cd Buxtehude: Abendmusiken. Jaarlijks verzorgt Vox Luminis ongeveer zeventig concerten op de belangrijkste podia wereldwijd, waaronder Bozar Brussel, deSingel Antwerpen, Auditorio Nacional Madrid, L’Auditori Barcelona, Wigmore Hall London, Philharmonie Berlin, Lincoln Center New York, Zaryadye Hall Moscow, Festival van Vlaanderen en Festival de Wallonie, Festival de Saintes, Festival Oude Muziek Utrecht, MusikfestBremen, Bachfest Leipzig, Aldeburgh Festival en Boston Early Music Festival. Vox Luminis is huisartiest van Concertgebouw Brugge. Het ensemble startte in 2021 een structurele samenwerking met het befaamde Freiburger Barockorchester.

Lionel Meunier

De Franse dirigent en bas Lionel Meunier is internationaal bekend als oprichter en artistiek directeur van vocaal ensemble Vox Luminis. Geprezen voor zijn gedetailleerde, krachtige interpretaties wordt hij door koren, ensembles en orkesten wereldwijd geregeld uitgenodigd als gastdirigent en artistiek leider.

Zijn internationale doorbraak kwam in 2012 met de toekenning van een Gramo­phone Recording of Year Award aan Vox Luminis voor de uitgave van Schütz’ Musicalische Exequien.

Lionel Meunieur werkte als gastdirigent met de Nederlandse Bachvereniging, het Danish National Vocal Ensemble, het Nederlands Kamerkoor en het Boston Early Music Festival Collegium. Hij leidde met Vox Luminis projecten in samenwerking met onder anderen Juilliard 415, B’Rock Orchestra, Philharmonia Baroque Orchestra en L’Achéron. Succesvolle projecten met het Freiburger Barockorchester en Consort hebben geleid tot een structurele samenwerking.

Lionel Meunier werd opgeleid als zanger en blokfluitist en begon zijn carrière als bas bij gerenommeerde ensembles zoals Collegium Vocale Gent, het Amsterdam Baroque Choir en Cappella Pratensis.

In 2013 kreeg hij de titel ‘Namurois de l’Année’ voor cultuur in de Belgische stad Namen, waar hij met zijn familie woont.

Vox Luminis & Lionel Meunier eerder in de Matinee: Purcell King Arthur (2020), werken van Isaac en Ferneyhough(2020)

Gerelateerde concerten

Steun

Word Vriend van de Matinee

Als trouwe bezoekers willen wij een bijdrage leveren aan het in stand houden van het unieke karakter en de hoge kwaliteit van de ZaterdagMatinee. Daarom: word Vriend of Genoot van de Matinee

Word Vriend of Genoot van de Matinee

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor de nieuwsbrief.